Tag Archives: Atjeh

6 augustus 1897, Kotta Soekoen

Koloniale oorlogsfotografie uit 1897

John Klein Nagelvoort

Pauljac Verhoeven

 

Hoe geschokt de pers in 2012 ook reageerde op de foto’s van executies uit de periode van 1945-1949, ze staan niet op zichzelf.

Er bestaan meer foto’s, die al eerder iconisch zijn geworden voor het koloniale geweld. Een daarvan is vaak gebruikt, maar precieze datum, lokatie en maker zijn onbekend.

Nieuwenhuis Sigli Soekoen copy

Het is moeilijk de feiten van de afgebeelde foto te achterhalen, net als dat voor de foto’s van de executies uit 2012 en 2015 geldt.

De foto toont een actie uit de oorlog tegen Atjeh. Op 6 augustus 1897 valt een eenheid van het Korps Marechaussee de versterking kota Soekoen binnen en doodt ruim 57 man. Slechts enkele minuten na de actie poseren zij voor de fotograaf Christiaan Benjamin Nieuwenhuis. Een aantal van hen wordt voor deze actie hoog gedecoreerd. Het bericht van het behaalde succes wordt met spoed naar Batavia en Nederland gestuurd. Het haalt de kranten, maar zonder de foto. De foto is later veel gepubliceerd, maar zelden met de juiste toewijzing.

 

De fotograaf

Portret van C. Nieuwenhuis

Portret van C. Nieuwenhuis collectie F. C. Cornelis (via wikimedia)

De fotograaf is Christiaan Benjamin Nieuwenhuis (1863-1922)[i]. We kunnen dat nu met zekerheid zeggen, omdat we beschikken over een foto (uit particuliere collectie) met een reliëfstempel in de rechter benedenhoek ‘C. Nieuwenhuis, fotograaf Padang, Sum. Westkust.’. De foto zelf komt in meerdere collecties in Nederland voor, soms toegeschreven aan C.B. Nieuwenhuis, soms anoniem[ii].

Nieuwenhuis 1.2

Nieuwenhuis wordt vaak beschouwd als de eerste oorlogsfotograaf in Nederlands-Indië, omdat hij in 1901 met Van Heutsz op expeditie gaat naar Samalanga .[iii] In 1901 publiceert hij het verslag van deze expeditie: ‘De expeditie naar Samalanga: (januari 1901); dagverhaal van een fotograaf te velde. Met 21 platen naar foto’s van den schrijver, een overzichtskaartje van het gouvernement Atjeh en Onderhoorigheden en een woord ter inleiding door Bintang Djaoeh. Amsterdam/Batavia 1901’. De foto’s worden op grote schaal verspreid. De foto, die we hier bespreken, zit er echter niet tussen.

De foto is dan ook niet genomen in 1901, maar in 1897 en wel op 6 augustus. Een inscriptie op een andere afdruk, eveneens uit particuliere collectie, luidt: ‘Kotta Soekoen (10 min na den strijd) Hoofdversterking door het Korps Marechaussee genomen 6 Aug. ’97 (Expeditie Sigli)’

Achterzijde met informatie betreffende locatie kota Soekoen

Achterzijde met informatie betreffende locatie kota Soekoen

De foto van Kota Soekoen laat zien dat Nieuwenhuis al in 1897 als oorlogsfotograaf actief is geworden.

Nieuwenhuis was niet onbekend met het militaire vak, in 1883 tekende hij, als vrijwillig militair, als stafmuzikant, voor 6 jaar bij het KNIL, verlengde dat met 1 jaar en verliet in 1890 de dienst om zich als fotograaf te vestigen in Padang.

 

Datum opname

De beschikbare gegevens wijzen ons op de gebeurtenis waar Nieuwenhuis deze foto heeft genomen: een gevecht tijdens de expeditie naar Sigli in augustus 1897.

In de Semarangse krant De Locomotief van 7 augustus 1897 is de gevechtshandeling kort beschreven :

‘ Telegrammen aan de Locomotief.

Batavia, 7 Augustus.

Den 6en dezer zijn te Segli uitgerukt het derde en veertiende bataljon, de marechaussee, en een sectie berg-artillerie en een sectie Genietroepen. De aanval op Soekoen en Pakanbaroe is gelukt. Hierbij sneuvelde van onze zijde een mindere, terwijl acht minderen werden gewond. In Soekoen had de vijand zesenvijftig dooden, in Pakanbaroe vierenvijftig. Onze verliezen bedragen in het geheel een dood en tweeentwintig gewonden, allen minderen. De aanval wordt doorgezet tot Segli. De overige bentings waren door den vijand verlaten. De gezondheidstoestand der troepen is vrij gunstig. Er komen geen choleragevallen meer voor. (J.B.)”

Het bericht bereikte vrijwel meteen Nederland:
De Telegraaf van 7 augustus 1897:

Atjeh, Aan het Handelsblad. Is uit Indie geseind: Gisteren hebben het 3e en het 14e bataljon een groot succes behaald in Segli. De vijand verloor 111 dooden. Ons verlies bedroeg 1 doode en 22 gewonden (geen officieren).’

De dagen erna wordt het bericht voorzien van meer details en kunnen we ook de reacties op de successen lezen:

Java-Bode 9 augustus 1897:

Van de regeering ontvingen wij het volgende telegram, dd. 8 augustus van Buitenzorg gedateerd:

Den 6en deze rukte eene expeditionnaire colonne onder bevel van luitenant-kolonel J.B.van Heutsz van Segli uit tot verdrijving van den vijand uit de moekim Pakanbahroe – Pakan Sat.

Zeven versterkingen werden genomen, waarbij de vijand 110 dooden achterliet en uit alle overige versterkingen werd de vijand door omtrekkende bewegingen verdreven. Twee plaatsen zijn tijdelijk bezet. Gesneuveld een amboneesch fuselier, gewond 21 mindere militairen.

Ter viering van het te Segli behaalde succes werden Zaterdagavond na afloop van de gewone uitvoering door de stafmuziek de Tjakra-negara marsch en het Volkslied ten gehoore gebracht. Het laatste werd door alle aanwezigen staande aangehoord en met driewerf hoera! Beantwoord.”

In het Leidsch Dagblad van 28 september 1897 krijgen we een ooggetuigeverslag dat de meeste details vermeldt:

Kolonien. De expeditie naar Segli.

Aan een correspondentie in het “Bataviaasch Nieuwsblad” gedateerd 10 Augustus, is het volgende ontleend: Vrijdag den 6den j.l. rukte des morgens een colonne uit, bestaande uit het corps marechaussee als voorhoede waarbij gevoegd een sectie mineurs, het 3de bat, een sectie bergartillerie hoofdcolonne 2e compagnie van het 14de en compagnie van het 12de achterhoede. Het doel was Kota Soekoen, de hoofdstelling van den vijand, gelegen in den uitersten hoek van de Tanah Wage, dicht bij Gighen. Volgens ingekomen berichten zou deze stelling bezet zijn door ongeveer 500 vijanden.

De marine en de artillerie uit de benteng zouden het gevecht door vuur voorbereiden.

Nadat de colonne ongeveer een half uur had gemarcheerd, kwam de voorhoede bij een kwala, de kwala Barabos. Men zag aan den overkant twee bentengs, de een Kota Soekoen, de andere Panteh Radja.

Den bentengs schenen goed bezet te zijn. Toen men de versterkingen in het gezicht kreeg (het artillerie-vuur had in dien tijd gezwegen), werd een breed front aangenomen, de marechaussee op den linker-, twee compagnieen van het 3de op den rechtervleugel. De marechaussee zouden tegen Kota Soekoen, het 3de tegen Panteh Radja oprukken en de daarbij liggende kleine bentengs.

Om zes uur werd de beweging begonnen. Bij het 3de werd salvo op salvo afgegeven uit de repeteergeweren, ten einde daardoor het vuur van den vijand tot zwijgen te brengen, want nauwelijks kreeg deze de colonne in het gezicht, of hij opende een oorverdoovend vuur. Het corps marechaussee stoorde zich minder om de kogels. Bijna zonder een schot te lossen gingen zij zoo vlug mogelijk voorwaarts, en trokken onder het vijandelijk vuur, dat in hevigheid toenam, den Kroeeng over, recht op hun doel afgaande.

Nauwelijks de rivier over, werd een breed front geformeerd, terwijl een gedeelte, ongeveer vier brigades, bij de achterhoede bleef en twee bij de ambulance.

Men was ongeveer een 500 M. Van de benteng, en met vluggen pas werd nu doorgemarcheerd. Daar waren zij voor de versterking, en nu werd een poging gedaan, door de versperringen heen te dringen en binnen te komen, hetgeen door geweervuur en lansworpen werd belet. De achterhoede bemerkende, dat men moeite had binnen te dringen en willende voorkomen, dat de vijand achter de benting een uitweg zou vinden, rukte naar het achtergedeelte op en trachtte daar binnen te komen. De vijand kwam ook daar opdagen, maar niettegenstaande zijn vuur en lansen, gelukte het door de versperringen te dringen en een klewangaanval volgde.

Maar op dat oogenblik was men ook voor, met behulp van het werpen van dynamietpatronen, door de versperring, en thans ontspon zich een verwoed gevecht van man tegen man; een ware slachting. Spoedig vielen de Atjehers bij tientallen neer en was de geheele bezetting afgemaakt. Men telde er ongeveer 46 lijken en in het voorwerk 7 lijken en gewonden; in het geheel dus 53 dooden en gewonden. Wij hadden 13 gewonden, waarvan geen enkele levensgevaarlijk.

Het 3de bataljon was, na eenige salvo’s te hebben gegeven, ook vooruitgegaan, en bij de benteng aangekomen, trachtte men een bres in de versperring te maken; ook hier een zwaar werk.

Doch door de bijna overal doordringende projectielen van het repeteergeweer, waarvoor de bezetting respect had gekregen, en waartegen zij zich moest dekken, kon zij het niet lang uithouden in de versterking, en trachtte toen een uitweg te zoeken door een achterpoortje.

De toeleg werd ontdekt; een gedeelte van het bataljon spoedde zich daarheen, en ieder, die vluchten wilde, werd neergeschoten. Een dertigtal wist nog te ontsnappen; maar weldra zaten onze soldaten binnen de versterking en werden verscheidenen nog afgemaakt. Men vond hier 43 dooden. In het geheel dus een verlies van den vijand van ongeveer 90 dooden in de bentengs.

 Panteh Radja werd bezet door een compagnie van het 14de, terwijl de rest van de colonne in de richting van Segli door het terrein terugtrok, om zoo de andere versterkingen te nemen. Waar men ook kwam, bijna geen vijand werd gezien, de bentengs waren verlaten. Nog een 4-tal vijanden werden op de vlucht neergeschoten; uit een benteng, Oedjong Landjoek, werd nog een lilaschot gelost, doch gelukkig zonder een man te treffen; ook deze benteng werd door een compagnie van het 14de bataljon bezet en de rest ging huiswaarts.

Om 3,5 uur ’s middags kwam de colonne te Segli terug, met een totaal verlies van 1 doode (een Amboineesch fuselier) en 22 gewonde minderen, terwijl de vijand een totaal verlies van 117 dooden in onze handen heeft achtergelaten.

Met dit succes hadden wij eenige uren later een verschrikkelijk verlies te betreuren, den dood van den luitenant-adjudant Eckenhausen, van het 3de bataljon, die door de ons overal volgende cholera ten grave werd gesleept. Nauwelijks een twee weken op Atjeh, of daar moest de telegraaf zijn vrouw de treurige tijding overbrengen.

De nacht werd door de troepen in de bentengs kalm doorgebracht; alleen werd benteng Oedjong Landjoek door een loos alarm even verontrust. Hierbij werden twee inlandsche fuseliers nog verwond, waarbij de een een slag in zijn gezicht, de andere een bajonetsteek kreeg, naar ik verneem in zijn hand.”

Het Bataviaasch Nieuwsblad, 10 augustus 1897 voegt de namen van de gesneuvelde fuselier, Manongga, en de gewonden aan Nederlandse kant toe:

‘[  ] Gesneuveld is de amboineesche fuselier Manongga (algemeen stamboek no. 49611); gewond werden levensgevaarlijk, de europeesche fuselier Nieuwburg (algemeen stamboek no.42754), niet levensgevaarlijk: de europeesche sergeanten van Lawick (algemeen stamboek no. 42542), Koerner (algemeen stamboek no. 30105) en Stam (algemeen stamboek no.38930), de europeesche geniesoldaat van Mierla (algemeen stamboek no. 43931), de europeesche geniesoldaat Biehl (algemeen stamboek no.41474), de europeesche ziekenoppasser Schelleken (algemeen stamboek no.26627), de amboineesche sergeanten Kikimahie (algemeen stamboek no. 9542) en Sahetapi (algemeen stamboek no. 16627), de amboineesche korporaals Anakotta (alg.st.no. 26584) en Kaijadoe (algemeen stamboek no. 36066), de amboineesche fusliers Pikoli (algemeen stamboek no. 35932), Pietreis (algemeen stamboek no. 19429), Riebok (algemeen stamboek no.34825), Rafel (algemeen stamboek no.84890), Schalwijk (algemeen stamboek no.38930), Kakimeta (algemeen stamboek no. 44171, Joseph (algemeen stamboek no. 30176), Kaligis (algemeen stamboek no. 35428), Fapilaka (algemeen stamboek no. 41631) en Mailissa (algemeen stamboek no. 49972) en de inlandsche geniesoldaat Jani (algemeen stamboek no.35682). Den 7e deze werden de versterkingen opgeruimd en het terrein opengekapt.

De beschrijvingen van de acties zijn technisch, maar soms krijgen we inzicht in de reacties van de soldaten zelf, zoals in het ooggetuigeverslag in de Sumatra-courant:

De Sumatra-courant: nieuws- en advertentieblad, 17 augustus 1897:

“Brieven uit Atjeh. Kota-Radja, 13 augustus 1897.

Het is te begrijpen dat de lezers in de grootste spanning verkeeren omtrent wat er te Segli en in de environs voorvalt. Reeds een week geleden zou ik hun zeer verklaarbare nieuwsgierigheid althans eenigszins hebben kunnen bevredigen, ware ’t niet gebeurt dat de berichten, die mij van daar welwillend zijn toegezonden zeven dagen noodig gehad hebben om mijn adres te bereiken. Dit is werkelijk niet geschikt om op te schieten. Doch nu ter zake.

De 30sten Juli jl. Vertrokken van Oleh-Oleh de rest van het 14den bataljon en een compagnie van het 12de; den 2den Augustus volgden twaalf brigades marechaussee, die aangevoerd worden door den kapitein Van Kappen; den 3den en 4den Augustus eindelijk het 3de bataljon.

Dienzelfden dag, in den namiddag was er te Segli een indrukwekkende macht bijeen, vooral wanneer men daarbij in aanmerking neemt, hoeveel moeite het kostte om deze voor de expeditie af te zonderen:

Twee bataljons infanterie, Twaalf brigades marechaussee, Vier secties bergartillerie,Een groot deel van de 6de, 17de en 22ste compagnie artillerie, Vijftig mineurs, Een peloton cavalerie, Des gevorderd kon de marine met zeer sterke landingsdivisies bijspringen. De ambulance was in de versterking, en de gewestelijk eerstaanwezig officier van gezondheid was ook aanwezig.

De Gouverneur, die reeds een paar maal daar geweest was, is den 6den deze er weer heen gegaan, daar in den namiddag van dien dag de dans eigenlijk beginnen zou.

Men vertelt, dat overste Van Heutsz aan Panglima Polim een brief geschreven had ten einde dezen aan te porren om zijn volk – dat van Polim – naar Segli te dirigeren, want dat het er wel eens leelijk voor hem kon gaan uitzien als de zaken daar voor de Atjehers faliekant uitkwamen. Ook moest hij zich haasten, want de troepen van de “keumpeni” werden in eenige uren over zee daarheen gebracht terwijl de Atjehers slechts de langzame pottenbakkerswagen ter hunner beschikking hadden.

Of dit nu waar is of niet, doet niet veel ter zake, maar zeker mag de activiteit van de autoriteiten ditmaal zeer geroemd worden. De disposities waren flink genomen en de overste Van Heutsz staat natuurlijk borg voor een niet minder flinke uitvoering.

Een drietal ferme hoofdofficieren, behalve de Gouverneur, zijn nu bij elkaar: Van Heutsz, Christan en Lindgreen, en de verhoudingen zijn uitmuntend. Ja ja, dat laatste heeft dikwijls wat in ….

Maar voor den 6den is er reeds heel wat te doen geweest. Vooreerst het onder dak brengen der troepenmacht. De barakken waren goed, maar vooral in het begin liet de rest wel iets te wenschen over, waarvan dan ook de gevolgen niet zijn uitgebleven, zooals aanstonds blijken zal. Verder heeft men voor de komst van den overste Van Heutsz weder eenige dwaasheden uitgehaald – uit dienstijver, natuurlijk! Men liet het 14de en 12de op de Atjehpasar recrutenschool en compagniesschool maken. Niets is in zulke omstandigheden meer geschikt het zelfvertrouwen van de troepen te schokken. Met den overste Van Heutsz kwam dan ook tegelijk de behoorlijke wijsheid en na zijn aankomst hielden de fraaiigheden onmiddellijk op.

Den 29sten begon een vreselijk bombardement op alle versterkingen en kampongs in den omtrek. Dit was om ruim baan te maken. Dag en nacht hield het schieten, zonder een oogenblik op te houden, aan. ’s Morgens van 6 tot 10 ure met alle stukken, dat zijn: 2 zevencentimeters achterlaad, 1 twaalf centimeter achterlaad, 8 mortieren van 7 centimeter; Van 10 tot 12 ure twee stoomers van de marine, later vijf; Van 12 ure tot 2 ure het geschut van de benteng met een gedeelte der reeds genoemde stukken; Van 2 tot 4 ure het andere gedeelte; Van 4 tot 6 ure de marine alleen; Van 6 tot 8 ure een salvovuur, waaraan alles deelnam. Dit laatst, was oorverdoovend. Na 8 ure ’s avonds kreeg iedereen nog eens een beurt tot ’s morgens 6 ure.

Ziedaar een vuur-rooster om ervan te beven, vooral als men bij de bediening is; want aan rusten of slapen valt daarbij niet de denken.

Onderwijl dit bombardement plaats had, waagden de Atjehers het nog om nu en dan van uit de loopgraven de benteng en de barakken te beschieten. Zulk een overmoed gaf reden om een hevigen tegenstand te verwachten, wanneer de colonnes tegen hen in beweging zouden worden gebracht.

Doch het is nogal meegevallen.

In den namiddag van den 6den hield het bombardement op. Alles was nu in spanning, mogelijk de vijand niet het minst. De colonne zou bestaan uit het 3de en 14de, de marechaussees, de cavalerie, 50 mineurs, 2 secties bergartillerie en de ambulancetrein. Een klein deel van de beide bataljons en de bezetting der benteng bleven achter tot het bewaken van onze gebouwen en werken.

’s Morgens om 4 ure rukte men uit. De weg langs het zeestrand werd gevolgd in de richting naar Koeala Gigien. De vijand kon van onze troepen niets bemerken, daar zijn werken achter een vrij uitgestrekte lagune aangelegd zijnde, daar waar ze het dichtst bij onze versterking liggen, ook zeer ver van het strand verwijderd zijn. De achterste werken van de vijandelijke linie naderen pas het zeestrand, doch daar werden de onzen het allerlaatst verwacht.

De gewone inlandsche zorgeloosheid was ons nu een welkom bondgenoot, want deze was oorzaak dat we bij de omtrekking van het uiterste punt der linie niet werden opgemerkt. In de grootste stilte trokken de marechaussee kampoeng Sibrih in en drongen van daar uit in de keel van de achterste versterking. Nu pas sprongen de Atjehers nog slaapdronken op en vol vertwijfeling gingen zij onze troepen te lijf. Maar te laat. Onze mannen waren er binnen, en de Atjeher weet wat dat beduidt.

Geschoten werd er bijna niet; het was een gevecht van man tegen man, waarbij de verraste vijanden spoedig het onderspit dolven. Binnen een uur lagen de lijken van 114 vijanden in het bloederige slijk.

Het 3de bataljon had en passant een andere versterking voor zijn rekening genomen en het 14de eveneens en deze en nog drie andere waren in weinig tijd ontruimd. De vijand scheen onthutst en waande misschien de achtergelegen kampoengs reeds in onze handen.

Met een doode, een amboineesch sergeant van het 3de, een ernstig gewonde, de europ. Sergeant der marechaussee Lawick, en veertien licht gewonden, meest marechaussees, hebben we die schoone zege gekocht. De meeste wonden zijn door lanssteken veroorzaakt. Een ferme hoeveelheid wapens – achter- en voorlaadgeweren, rentjongs, klewangs, – en munitie werd door ons buitgemaakt. Het 14de bataljon bleef Panteh Karang bezetten, mineurs hadden al heel wat opgeruimd. ’s Middags kwam het grootste deel der troepen in het bivak terug. Allen waren doodmoe. De meeste bentengs zijn denzelfden dag en den volgenden zonder noemenswaardige verdediging ontruimd. Zelfs het geduchte z.g. “Veertje” (Oedjoeng Belang) is bijna onverdedigd gelaten.

De vijandelijke stelling is thans geheel in ons bezit en er wordt flink aan de opruiming ervan gewerkt. De meeste hoofden hebben hun opwachting gemaakt en overal waarin witte vlaggen.

Zevenduizend meter rond de benteng is de boel als schoongeveegd. Alleen het slechten van het zoogenoemd “Veertje” heeft wat inspanning gekost.

Na den fameusen morgen van den 7den hebben we nog een doode gekregen, vanwege de beschietingen.

Waar het minste teeken van vijandelijkheid gegeven werd, is niet gedraald om dat betaald te zetten, zoodat er nu letterlijk niet meer te vechten valt.

De troepen hebben veel geleden van den dorst, want water is er zeer schaars. Ook is de vlakte zonnig en bijna geheel onbegroeid, dus is de hitte er ondragelijk.

Nu werd den overste Van Heutsz het plan toegeschreven om met het grootste deel der troepen over land, dus door het Pedirsche naar Selimoen te marcheeren. Prachtig , en thans, met een beetje samenwerking, zeer goed uitvoerbaar. Maar … er dreigt een kink in den kabel te komen. De cholera is onder de troepen uitgebroken en er zijn bereid een tiental menschen bezweken, waarvan de 1ste luitenant-adjudant T.T. Eckenhaussen een der eersten was. Er is nu geen sprake meer van verder voortrukken, helaas.

Den 9den en 10den is het grootste deel der artillerie, den 11den zijn de marechaussees reeds naar Oleh-Oleh teruggezonden. Het 3de bataljon volgt nog deze week. Het 14de blijft achter.

Er is sprake van dat in de helft der volgende maand de dans weer opnieuw beginnen zal, meer binnenwaarts en dat men dan zal trachten de colonne er overland heen te brengen.

Zoo is ook hier weer gebleken wat er met een beetje verstand en durven, in een oogwenk als ’t ware, te bereiken is. Zou er nu inderdaad een einde aan het verzet gemaakt worden?

Nog hebben onze troepen een groot succes gehad. Bij een machtsvertooning in den morgen van den 10den dezer waaraan het 3de, het 14de en de cavalerie deelnamen, stuitte men niet ver van Koeala Gigien op een sterk bezette vijandelijke benteng. Zonder dralen werd ze krachtig aangetast en wel zoo, dat er aan ontkomen voor den vijand niet te denken viel. De strijd om en in die benteng moet met buitengewone onstuimigheid gevoerd zijn. Er zijn zelfs kranige kerels, flauw gevallen.

Minstens zestig vijanden werden door de onzen met het blanke wapen afgemaakt, terwijl aan onze zijde een mindere sneuvelde en tien gewond werden. De snelladers moeten hier echter ook van groot nut gebleken zijn. [ ] Oz.”

 

De afgebeelden

De fotoafdruk is van hoge kwaliteit, een aantal van de Europese officieren is goed te herkennen temidden van hun inheemse soldaten, allen van het Korps Marechaussee Atjeh & Onderhorigheden.

Het zijn, in het midden, de 1e Luitenant Korps Marechaussee Carl Friedrich August Wagener (1862-1897). Wagener zou een maand later, op 21 september sneuvelen nabij Kroeëng Raba, Lho Nga.

1e Luitenant C.F.A. Wagener (1862-1897), Ridder Militaire Willemsorde der 4e klasse, Korps Marechaussee Indisch leger

1e Luitenant C.F.A. Wagener (1862-1897), Ridder Militaire Willemsorde der 4e klasse, Korps Marechaussee Indisch leger

De 2e officier van rechts: 1e Luitenant Alphons Franssen Herderschee (1872-1932), hij leunt met zijn linkerhand of zijn sabel en draagt de Militaire Willemsorde in zijn bovenste knoopsgat. Franssen Herderschee krijgt bij Koninklijk Besluit van 11 mei 1898, nummer 34 een eresabel voor zijn acties in Atjeh.

Luitenant Alphons Franssen Herderschee (1872-1932), Ridder Militaire Willemsorde der 4e klasse met de eresabel

Luitenant Alphons Franssen Herderschee (1872-1932), Ridder Militaire Willemsorde der 4e klasse met de eresabel

Majoor A. Franssen Herderschee

A. Franssen Herderschee op latere leeftijd als majoor met zijn onderscheidingen

Het Koninklijk Besluit geeft een beschrijving van de actie waarvoor de eresabel is uitgereikt: ” 6 augustus 1897. Verovering van Koeta Soekoen, “Uit eigen initiatief met twee brigades marechaussee de sterk bezette en krachtig verdedigde vijandelijke hoofdversterking Koeta Soekoen om te trekken; aan het hoofd van een deze brigades die sterkte aan de Zuidzijde binnen te dringen, een tegenaanval des vijands op dit punt af te slaan en daardoor voor belangrijk deel bij te dragen tot de vermeestering van deze sterkte.”

Staand aan de linkerhand van Franssen Herderschee, de 1e Luitenant H.W. Roeby.

Aan de rechterhand van Franssen Herderschee, de sergeant Korps Marechaussee A. Stam. Hij werd eervol vermeld voor de acties gedurende deze periode.

Sergeant A. Stam, Korps Marechaussee Indisch leger

Sergeant A. Stam, Korps Marechaussee Indisch leger

Staand met zijn sabel over zijn rechterschouder is de 1e Luitenant Korps Marechaussee P.A.H. Holten te herkennen, hij draagt de Militaire Willemsorde in zijn bovenste knoopsgat.

1e Luitenant P.A.H. Scholten, Ridder Militaire Willemsorde der 4e klasse met eresabel, Korps Marechaussee Indisch leger

1e Luitenant P.A.H. Scholten, Ridder Militaire Willemsorde der 4e klasse met eresabel, Korps Marechaussee Indisch leger

Strategie in Atjeh.

Na het ‘verraad’ van teukoe Oemar, 1896, werd generaal-majoor en gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden Deijkerhoff ontslagen. Luitenant-generaal Vetter moest orde op zaken gaan stellen in Atjeh. Op 28 juni 1896 vertrok Vetter naar Atjeh.

Vetter gaf opdracht de geconcentreerde linie (een geheel van versterkte posten rondom de hoofdplaats van Atjeh) te behouden, maar wel acties buiten de linie te ondernemen en de vijand te vervolgen. De eerste aanzet tot een nieuw Atjehbeleid was gezet. Het was een beleid van hard optreden

Het Indische leger voerde onder leiding van de toen nog luitenant-kolonel J.B. van Heutsz in juli-augustus 1897een keiharde campagne om het verzet tegen het Nederlandse koloniale bewind in Sigli te breken en ‘rust en orde’ te brengen. Na een dagenlang bombardement van Marine en het Indische leger werden grondtroepen ingezet om af te rekenen met de volhardende verdedigers. Daarbij werd geen kwartier gegeven.

De meedogenloze aanpak bleek effectief. Na de slachting van de eerste dag ondervond het Indisch leger geen tegenstand van betekenis meer. Van Heutsz zette zijn strategie vervolgens door.

De foto van Nieuwenhuis van de slachting werd ook in Nederland gepubliceerd en werd met de foto’s van G.C.E. van Daalen’s Tocht door de Gajo- en Alaslanden het icoon van het militaire geweld van het Koninkrijk der Nederlanden in de Indonesische archipel.

 

 

 

[i] [http://collectie.tropenmuseum.nl/default.aspx?ccid=P5964&lang=en] .

[ii] http://www.geheugenvannederland.nl/?/indonesie_onafhankelijk_-_fotos_1947-1953/items/VKM01:A78-189/&p=1&i=1&t=4&st=pidie%20atjeh&sc=(cql.serverChoice%20all%20pidie%20%20AND%20atjeh)/&wst=pidie%20atjeh]

 

[iii] Zweers, Louis. Sumatra: kolonialen, koelies en krijgers. Houten: Fibula, 1988.

Biografie geschreven door Freek Cornelis, achterkleinzoon van C.B. Nieuwenhuis, 2014: http://collectie.tropenmuseum.nl/default.aspx?ccid=P5964&lang=en [2015-11-28]

Anneke Groeneveld, C. B. Nieuwenhuis’ Views of Sumatra. http://www.asia-pacific-photography.com/towardindependence/Nieuwenhuis/index.htm

Alle krantenberichten: http://www.delpher.nl

behalve Leidsch Dagblad:

http://leiden.courant.nu/issue/LD/1897-09-28/edition/0/page/2?query=B.%20A2&sort=relevance