Garoet stof

Grijsgroen of Garoet?

Marc Lohnstein, assistent-conservator

In 1911 voerde het Indische leger veldkleding in van grijsgroen katoen. Deze stof wordt vaak aangeduid als Garoet. Daarbij wordt door C.A. Heshusius in zijn artikel ‘Het KNIL op zoek naar een doelmatig veldtenue, . . . enkele beschouwingen uit een moeizame periode’ in Armamentaria 26 (1991) onderscheid gemaakt in Garoet-A,-B en -C.[1] De naam Garoet verwijst daarbij naar de plaats Garut (nieuwe spelling) op Java waar de stof werd gemaakt.

2014_04_18-2-3_001

Europees fuselier in veldtenue grijsgroen rond 1930. Hij is bewapend met het repeteergeweer Model 95 (Mannlicher). Collectie Museum Bronbeek

De benaming Garoet-B komt echter pas vanaf 1936 in de correspondentie voor. De aanduidingen Garoet-A of Garoet-C zijn in officiële documenten niet teruggevonden. De grijsgroene katoenen stof voor de veldkleding van het Indische leger werd daarnaast tot 1936 niet in Garoet gemaakt, maar in Nederland. Een uitzondering op deze regel vormden enige leveranties uit Japan. Na 1920 werd ook de Landsgevangenis te Cheribon een producent. De Nederlandse weefproductie werd in 1936 geheel overgenomen door de N.V. Preanger Bontweverij te Garoet op Java. Deze weverij introduceerde het zogenaamde Garoet-B. De Landsgevangenis te Cheribon bleef als tweede leverancier actief.

De aanduiding Garoet voor de veldkleding van het KNIL tussen 1911 en 1942 is dan ook niet juist. In het KNIL werd over het grijsgroen gesproken. Garoet-B is de benaming voor de uniformstof vanaf 1937/38.

De kleur van de veldkleding werd grijsgroen genoemd. Dat was toepasselijk voor de stoffage voor invoering van het Garoet-B. Het Garoet-B was olijfgroen van kleur. Desondanks bleef de officiële kleuraanduiding grijsgroen.

 

Invoering grijsgroene veldkleding

Sinds 1905 bestond de officiële veldkleding uit de zogenaamde eenvoudige jas van blauw serge en de pantalon van ‘blauw katoen of soortgelijke stof’. Bij Koninklijk Besluit 3 augustus 1911 nummer 128 werd deze veldkleding vervangen door veldkleding van ‘katoen, linnen of soortgelijke stof’ bestaande uit een hoofddeksel, jas met onderscheidingstekenen en pantalon. De commandant van het leger zou de modellen vaststellen. Uiterlijk 1 januari 1912 moest de wijziging zijn doorgevoerd. Voor militairen beneden de rang van onderofficier zou de uitreiking van de nieuwe uitrusting plaatsvinden naargelang de in de magazijnen aanwezige voorraad. In het invoeringsbesluit ontbreekt een beschrijving van de veldkleding.[2]

Om een voor het Indische terrein geschikte veldkleding te bepalen waren in 1909 uniformstukken van verschillende kleuren beproefd. Deze proeven leidden in 1910 tot een voorlopige keuze van een tweetal stoffen van mosgroene kleur. De uiteindelijke kleur werd grijsgroen. De proeven hadden aangetoond, ‘dat de grijs groene kleur zich hier te lande het meest eigent, om den troep bij de meeste verschillende weersgesteldheden, belichtingen en achtergronden minder in het oog te doen vallen’.[3]

De stoffage

Een blok van 50 vierkante meter grijsgroene stof werd vervaardigd uit:

2,62 kilogram bruin garen nummer 20
2,62 kilogram grijs garen nummer 20
4,16 kilogram linnen garen nummer 35.

De bruine en grijze garens werden groen en rood geverfd en vormden de kettingdraden. Het linnen garen werd ongeverfd als inslagdraad gebruikt.[4]

grijsgroenM1911

Detailopname (vergroot) grijsgroen katoen Model 1911. Collectie Museum Bronbeek

 

De Intendance van het Indische leger stelde aan het uit bruine, groene en grijze garens samengestelde grijsgroen katoenen doek strenge kwaliteitseisen. Deze waren onder meer:

  • vrijwel krimpvrij
  • geen kleurbanden in ketting noch inslag
  • geen afwijking in kleur van de verschillende stukken en van partijen onderling.

In de praktijk bleek het moeilijk deze kwaliteitsnormen te halen. Met name de wasechtheid en kleurverschillen vormden een probleem. In 1919 was grijsgroene kleding van inferieure kwaliteit uitgereikt. Door de Eerste Wereldoorlog kon minder grijsgroen katoen vanuit Nederland worden geleverd. Het gevolg was een tekort aan grijsgroene stof. Daarop waren orders geplaatst in Japan. Door het wereldwijde gebrek aan Duitse kleurstoffen was deze stoffage geverfd met een kleurstof van minder kwaliteit. Het resulteerde in grijsgroene kleding die ’wel stevig doch niet voldoende kleurecht’ was. Na een paar keer wassen werd de kleding van Japanse stof vrijwel wit. In Nederlands-Indië werd gesproken over ’de onooglijke grijsgroene kleeding, waarin onderofficieren en andere militairen zich in het openbaar vertoonen.’ In 1920 verklaarde de legerleiding dat weer voldoende grijsgroene stof van goede kwaliteit beschikbaar was, zodat het euvel binnenkort verholpen zou zijn.[5]

Een punt van controverse vormde het verschil in kleur tussen de grijsgroene jas en broek. Tijdens de productie en door de wijze van verstrekking waren kleurverschillen tussen jas en broek echter onvermijdelijk. De grijsgroene stof werd door verschillende producenten geleverd. Daarnaast ondergingen de verschillende leveranties van dezelfde producent niet hetzelfde verfbad. De intendance verstrekte vaak de jassen en broeken niet als set maar afzonderlijk. De hoofdintendant besloot in 1926 het kleurverschil (deels) op te lossen met een tweetal maatregelen. Hij verkleinde de hoeveelheid kleding op voorraad. Daarnaast moesten de officieren van kleding zoveel mogelijk kleurgelijke jassen en broeken verstrekken.[6]

Klachten over de kwaliteit wat betreft egaliteit van kleur, maar ook de sterkte van de stof bleven aanhouden. Voor de eis 1927/1928 (begrotingsjaar 1927) zou Cheribon 700.000 meter grijsgroen katoen vervaardigen. De gouverneur-generaal moest echter constateren dat de strafgevangenis ’nog steeds niet in staat is grijsgroen katoen in de gewenste kleur af te leveren.’ De bestelling voor 1927 zou daarom in Nederland worden geplaatst. Ook partijen grijsgroen katoen van Nederlandse makelij werden vanwege kleurverschillen afgekeurd. In 1929 dreigde hierdoor een tekort. Op het punt van afwijking van kleur moesten de keuringseisen worden verlicht.[7]

In 1936 bleek Cheribon wel instaat de gewenste kwaliteit te leveren. Het beschikte over de meeste ervaring op het gebied van weven in de tropen. Cheribon gebruikte eerste kwaliteit garens van voldoende sterkte. Getwijnde garens waren zodoende niet nodig.[8] Getwijnde garens zijn twee of meer enkelvoudige garens die om elkaar heen worden gedraaid. Dit verminderd de kans op breuk.

Gezien de problemen met het katoen werden reeds spoedig na de invoering alternatieven gezocht. Reeds in 1915 werden proeven genomen met grijsgroene stof van wol en katoen: halfwol. De stof was soepeler en luchtiger dan katoen. Het bood betere bescherming tegen koude en regen, was krimpvrij, beter kleurhoudend, sleet minder en gaf een netter aanzien. De uniformcommissie uit 1917 stelde daarom voor het grijsgroen halfwol in te voeren. Een uitgebreide proef stond gepland, maar ging uiteindelijk om financiële redenen niet door. Maar toen was het inmiddels 1923.[9]

 

Garoet-B

In december 1933 viel de beslissing om een onderzoek in te stellen met als doel het bijstellen van de kwaliteitseisen van de grijsgroene uniformstof. Dit was uitdrukkelijk een tegemoetkoming aan de problemen bij de productie in Cheribon. De legercommandant, luitenant-generaal J.S. Koster, belastte de hoofdintendant met dit onderzoek. Hij kreeg tevens de opdracht te onderzoeken of en zo ja hoe de bezwaren tegen het ’bestaande grijsgroene uniform, die als veldtenue in enkele opzichten minder praktisch en als uitgaanstenue weinig fraai is’ konden worden weggenomen.
De hoofdintendant kwam met een nieuw ontwerp van een praktische velduniform en een sierlijker uitgaansuniform en een nieuw ontworpen stoffage. De nieuwe stof was hetzelfde voor de veld- en uitgaanskleding. Het was van katoen in de uit tactische overwegingen bestaande kleur groen. De nieuw ontworpen uniformen moesten nog op bruikbaarheid bij de troep worden getest.[10]

In 1935 werden de proefuniformen in beproeving genomen. De proefneming betrof drie verschillende stoffen. Het waren alle drie keperweefsels. Waarvan één in het stuk geverfd doek en twee uit zogenaamde Jaspé-garen (garen gesponnen uit twee verschillend geverfde voorgarens). Met Jaspé-garen werden kleurverschillen voorkomen en kreeg het weefsel een glans.[11]

In februari 1936 berichtte de opvolger van Koster, luitenant-generaal M. Boerstra, dat de proefneming nog niet tot een bevredigend resultaat hadden geleid. Op bescheidden schaal werden deze daarom voortgezet. Wat de stoffage betreft had de proefneming tot een duidelijke keuze geleid. Het door de N.V. Preanger Bontweverij te Garoet geproduceerde zogenaamde Garoet-B weefsel was qua soepelheid, kleur- en lichtechtheid en grotere sterkte als beste uit de bus gekomen. Daarnaast was de prijs redelijk.

In afwachting van de resultaten van de proefneming en om de nieuwe uniformen sneller te kunnen invoeren waren in 1935 geen bestellingen van grijsgroene stof in Nederland geplaatst. Daarnaast was de aanmaak van bestaande grijsgroene uniformen stopgezet. Hierdoor was het begin 1936 nodig een beslissing te nemen. Generaal Boerstra stelde een voorlopige oplossing voor. Deze gaf direct verbetering, bood geldelijk voordeel en stond de verdere ontwikkeling van het uniformvraagstuk niet in de weg.

Het voorstel van generaal Boerstra bestond met betrekking tot het grijsgroen uit:

  • bestaande grijsgroene jas werd van sierlijker model uitgaanstenue
  • invoering van een veldunifom bestaande uit de bestaande jas, maar met liggende kraag en grotere schootzakken, en korte pantalon (ballonbroek)
  • bestaande stoffage vervangen door Garoet-B

 

DSC01592 kopie

Tekening Europees sergeant in veldtenue Model 1937. Collectie Museum Bronbeek.

Generaal Boerstra wilde de N.V. Preanger Bontweverij contracteren voor de levering van de stoffage. Deze fabriek moest voor de fabricage aanzienlijke kapitaalinvesteringen in weefwerktuigen en verfapparatuur doen. Hiertoe was zij alleen bereid bij een gegarandeerde afname van 350.000 meter per jaar gedurende een periode van drie of meer jaren. Gezien de prijs stelde generaal Boerstra een vijfjarig contract voor.
De behoefte werd voor 1936 geraamd op 550.000 meter. Voor 1937 tot en met 1940 werd de jaarbehoefte op 450.000 meter gesteld. Generaal Boerstra wilde jaarlijks verplicht van de N.V. Preanger Bontweverij 350.000 meter afnemen. De resterende hoeveelheid zou de Strafgevangenis te Cheribon moeten leveren. Justitie moest wel een gelijkwaardige kwaliteit kunnen leveren.

Op 20 maart 1936 kreeg generaal Boerstra van de gouverneur-generaal het groene licht voor zijn voorlopige oplossing.[12]

In 1936 sloot het Departement van Oorlog met de N.V. Preanger Bontweverij te Garoet een vijfjarig contract.[13] De N.V. Preanger Bontweverij verplichtte zich tot de levering per jaar van ten minste 350.000 meter uniformstof Garoet-B voor de prijs van NLG 0,54 in 1936 per strekkende meter franco Centraal Magazijn Kleeding en Uitrusting Bandoeng. Het doek had een breedte van 30 inch. Levering vond plaats in stukken met een lengte van 40 meter in slagen van 1 meter. Alle stukken hadden aan beide uiteinden gekleurde lisières (zelfkant). De kettingdraden waren van 36/2 Jaspé-garen (Engels nummer). De inslag was van 32/2 inslaggaren (Engels nummer). Als kleurstoffen moesten indanthreen verfstoffen van I.G. Farbenindustrie A.G. worden gebruikt. Voor 350.000 yards waren nodig:

  • katoenen garens 36/1 (Engels nummer)    48.550 kg.
  • katoenen garens 32/2 (Engels nummer)     21.420 kg.
  • Indanthreen olivegrün B     700 kg.
  • Indanthreen khaki G.G.    707 kg.
  • Natrium-hydrosulfiet[14]    8.360 kg.
Garoet-B 1937

Detailopname (vergroot) Garoet-B. Collectie Museum Bronbeek

De garennummers zijn volgens het Engelse systeem (Ne). De 2 geeft aan dat twee draden samengetwijnd zijn.[15]

Uit de detailopname blijkt dat Garoet-B uit drie garens bestaat: een donkergroen, een lichtgroen en een rood geverfde garen.

Vanaf 1 oktober 1937 vond de verstrekking van het nieuwe uitgaansuniform van Garoet-B of de voor de aanmaak benodigde stoffage plaats. Het nieuwe velduniform van Garoet-B werd vanaf 1 mei 1938 verstrekt.

 

Klachten over Garoet-B

Bij de invoering ontstonden met name klachten over het krimpen van de stof. Het Departement van Oorlog schreef deze klachten vooral toe aan een verkeerde behandeling bij het wassen. De stof moest op de gewone wijze worden gewassen. Het overdreven wrijven en wringen moest achterwege blijven. Het best kon met een borstel worden gewassen. Scherpe middelen moesten bij het wassen niet worden gebruikt. De zeep moest goed worden uitgespoeld, omdat anders de kleur kon teruglopen. Ter voorkoming van strijkvlekken kon de kleding het beste aan de binnenzijde met een niet te heet ijzer worden gestreken. Het gebruik van stijfsel werd afgeraden.
Naast aanwijzingen bij het wassen verstrekte het Departement ook aanwijzigingen voor de kleermakers. Het doek kon worden voorgekrompen door het gedurende 15 minuten in water op kamertemperatuur te dompelen. De goede kant van het doek moest aan de buitenkant van het te maken kledingstuk komen. Dat was de zijde waarbij de keper van links beneden naar rechts boven liep.[16]

Kwalitatief gezien was Garoet-B een aanmerkelijke verbetering ten opzichte van het oude grijsgroene katoen. De stof zag er beduidend beter uit. De N.V. Preanger Bontweverij verfde de garens mechanisch. Zij kregen daardoor eenzelfde egale kleur. De stof werd voorgekrompen om deze krimpvrij te maken. Ook was de wasechtheid verbeterd door het gebruik van een hogere kwaliteit verfstof.[17]

 

Producenten

De fabricage van kleding en uitrustingsstukken voor het Indische leger vond aanvankelijk nagenoeg uitsluitend in Nederland plaats. Europa leverde de garens, Duitsland verzorgde de verfstoffen en in Nederland werden de stoffen geweven. Drie Nederlandse fabrikanten bleken in staat ’om een aanneembaar artikel te leveren’. Van deze drie wist slechts de firma H. van Puijenbroek te Goirle een vrijwel constante kwaliteit te handhaven. De N.V. Ramaer’s Textielfabriek te Helmond offreerde in 1930 en 1933 voor de levering van grijsgroen katoen. De proefpartijen werden echter telkens afgekeurd. Deze textielfabriek vroeg zich af of de gestelde eisen niet te hoog lagen en of deze naar beneden konden worden bijgesteld.[18]

Vanaf 1920 werd een deel van de benodigde stoffage in Nederlands-Indië zelf geproduceerd. Dit was het gevolg van een grote hervorming van het Indische gevangeniswezen. Op Java werden enige grote gevangenissen gebouwd. Uitgebreide werkplaatsen maakten deel uit van deze gevangenissen. Alle tot vrijheidsstraffen veroordeelden waren tot arbeid verplicht. Zij produceerden diverse goederen voor verschillende onderdelen van het gouvernement. Een belangrijke afnemer was het Indische leger.

Bij de Landsgevangenis te Cheribon kwam in 1920 een machinale weverij gereed. In 1936 telde deze inrichting 300 machinale weefgetouwen. Cheribon maakte onder ander het grijsgroen katoen, klamboestof en wit keper. Te Koeningan (ten zuiden van Cheribon) was een ververij en blekerij. Hiervoor werd met indanthreen-kleurstoffen (indanthreen = kleurecht) gewerkt. Kleermakerijen waren in de Landsgevangenis te Soerabaja, het Gestraftenkwartier Mlaten (Semarang), de gevangenis voor Europeanen en de vrouwengevangenis te Semarang en de Landsgevangenis te Tjipinang (Meester-Cornelis). Hier werd de kleding voor de militair geconfectioneerd. In de vrouwengevangenis te Semarang werden in de borduurwinkel onderscheidingstekenen geborduurd.[19]

Jaarlijks plaatste het Departement van Oorlog orders. Dat het daarbij om omvangrijke hoeveelheden ging blijkt uit tabel 1.

Tabel 1 Leveringen grijsgroen katoen[20]

Jaar

Meter

NLG

(1930)

L 10

673.000

466.615

1931

M 5

255.000

M 239

60.000

1932

N 9

550.000

282.600

1933

O 1

700.000

360.000

1934

P 11

250.000

244.750

P 205

50.000

24.220

1935

R 15

110.000

51.350

In 1935 betrad een nieuwe speler het marktgebied: de N.V. Preanger Bontweverij. De N.V. Preanger Bontweverij was in 1933 op initiatief van de handelsonderneming Internatio opgezet. Het was een samenwerkingsverband van Internatio met de Koninklijke Stoomweverij met een minderheidsbelang van de Twentse textielfirma’s Van Heek & Co., Rigtersbleek (G.J. van Heek & Zn.) en de Boekelose Stoomblekerij. De door Internatio opgerichte handweverij te Garoet ging in de nieuwe weverij op. De onderneming vestigde zich eveneens in Garoet. Het ontwikkelde zich in korte tijd tot de grootste weverij in Nederlands-Indië. In 1940 telde het bedrijf 3.243 medewerkers. De onderneming produceerde voornamelijk sarongs van hoge kwaliteit voor de interne markt. De productie van uniformstof werd na 1936 het tweede hoofdproduct van de N.V. Preanger Bontweverij.[21]

Groot-Brittannië leverde de garens voor het Garoet-B. Later kwamen deze van de Koninklijke Nederlandse Katoen-Spinnerij te Hengelo. De verfstoffen kwamen zoals gezegd van I.G. Farbenindustrie A.G.[22]

De Nederlandse textielindustrie was met de ontwikkelingen rond de N.V. Preanger Bontweverij niet gelukkig. Bedrijven zagen een belangrijke markt wegvallen. Zij lobbyden bij de minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart. Deze stelde in een brief aan de minister van Koloniën dat de Nederlandse textielindustrie naast het verlies van het leger als klant ook werd geconfronteerd met een afname van geweven katoenen goederen voor de particuliere markt in Nederlands-Indië. Ook deze werd door Indische productie overgenomen. De minister achtte het daarom niet juist de Nederlandse industrie voor de legerorders geheel te passeren. Daarnaast wees hij op de afspraak in de ’Richtlijnen voor de economische samenwerking tussen Nederland en Ned. Indie’ om gouvernementsbestellingen gedeeltelijk in Nederland te plaatsen. H. Colijn, de minister van Koloniën, was echter niet te vermurwen. Orders voor het gouvernement moesten zoveel mogelijk bij de Indische industrie worden geplaatst. Als niet onbelangrijk voordeel zag Colijn dat Indië hierdoor voor defensiegoederen minder afhankelijk van invoer zou worden.[23]

 

Literatuur

Heshusius,  C.A., Het KNIL op zoek naar een doelmatig veldtenue, . . . enkele beschouwingen uit een moeizame periode … (vervolg van een gelijknamig artikel in Armamentaria nr. 25 van 1990), Armamentaria 26 (1991) 33-50.

Kroese, W.T., Het begin van de industrialisatie van Indonesië. De stichting van de Preanger Bontweverij (PBW) te Garut, Koninklijke Textielfabrieken Nijverdal-Ten Cate N.V., Hengelo, z.j.

 

Noten

[1]Heshusius, C.A., Het KNIL op zoek naar een doelmatig veldtenue, . . . enkele beschouwingen uit een moeizame periode…, Armamentaria, 26 (1991), 40-42.

[2]NL-HaNA, Koloniën / Openbaar Verbaal, 2.10.36.04, inv.nr. 845, V. 31 juli 1911 no. 1, brief gouverneur-generaal aan minister van Koloniën, Buitenzorg, 28 maart 1911 no. 386/3 en NL-HaNA, KdK 1898-1945, 2.02.14, inv.nr. 5710, KB 3 augustus 1911 no. 128 met brief minister van Koloniën aan de Koningin, ’s-Gravenhage, 31 juli 1911, Departement van Koloniën, Afdeeling C (1e Bur.) no. 1.

[3]Handelingen der Staten-Generaal. Kamerstuk Tweede Kamer 1909-1910 kamerstuknummer 5 ondernummer 1, Koloniaal Verslag van 1909, kolom 101; Handelingen der Staten-Generaal. Kamerstuk Tweede Kamer 1910-1911 kamerstuknummer 5 ondernummer 1, Koloniaal Verslag van 1910, kolom 72 en Mededeelingen. Veldkleeding, Indisch Militair Tijdschrift, 43 (1912) 1-06, 85-87.
Zie voor de Handelingen www.statengeneraaldigitaal.nl.

[4]NL-HaNA, Koloniën / Kabinet-Geheim Archief, 1901-1940, 2.10.36.51, inv.nr. 492, V. 22 mei 1937 Lr. N12 geheim, Feuilletau de Bruyn, W.K.H., Nota betreffende de economische verdediging van Nederlandsch-Indië, 148 en Mededeelingen. Veldkleeding, Indisch Militair Tijdschrift, 43 (1912) 1-06, 85.
Het nummer achter de garens geeft aan hoeveel meter garen in een gram gaat. Een hoger nummer geeft fijner garen aan. Zie Paassen, W.J.C. van en J.H. Rugrok, Textielwaren, 18de druk, J.B. Wolters Groningen 1958, 38.

[5] NL-HaNA, Commissariaat Indische Zaken, 2.10.49, inv.nr. 3721, V. 22 februari 1934 no. 14, concept-brief minister van Staat, minister van Koloniën met getypte toelichting en brief N.V. Ramaer’s Textielfabriek aan minister van Koloniën, Helmond, 7 februari 1934; Wetenschappelijk Jaarbericht 1920. Indische Krijgskundige Vereeniging. 6 (1920), Boekhandel Visser & Co. Bandoeng 1921, 146-147 en Leger en Vloot. De Grijsgroene Veldkleeding, Bataviaasch Nieuwsblad, maandag 4 oktober 1926, Tweede blad. Zie www.kranten.delpher.nl.

[6]De Leger en Vloot. De Grijsgroene Veldkleeding, Bataviaasch Nieuwsblad, maandag 4 oktober 1926, Tweede blad; De grijs-groene Veldkleeding, Bataviaasch nieuwsblad, Vrijdag 22 november 1929, 45 jaargang, no. 294 en De Grijsgroene Legerkleeding, Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, donderdag 6 februari 1930, nr. 30 tweede blad. Zie www.kranten.delpher.nl.

[7]NL-HaNA, Koloniën, 2.10.02, inv.nr. 8865, Gouvernementsbesluit 5 november 1926 no. 4;  NL-HaNA, Koloniën / Mailrapporten, 2.10.36.02, inv.nr. 402, microfiche 6819, brief legercommandant aan gouverneur-generaal, Hoofdkwartier Bandoeng, 29 mei 1934, Departement van Oorlog, VIIde Afdeeling B, Intendance, 2de Kantoor, No. 57/2/VII B en en De Grijsgroene Legerkleeding, Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, donderdag 6 februari 1930, nr. 30 tweede blad. Zie www.kranten.delpher.nl.

[8]NL-HaNA, Koloniën / Kabinet-Geheim Archief, 1901-1940, 2.10.36.51, inv.nr. 492, V. 22 mei 1937 Lr. N12 geheim, Feuilletau de Bruyn, W.K.H., Nota betreffende de economische verdediging van Nederlandsch-Indië, 148 en 149.

[9]Wetenschappelijk Jaarbericht 1915. Indische Krijgskundige Vereeniging. 2 (1915), Javasche Boekhandel & Drukkerij, Batavia 1916, 362-363; Uniformwijziging, Indisch Militair Tijdschrift 48 (1917) 7-12, 863; J. Nieuwe uniformen, Indisch Militair Tijdschrift 53 (1922) 1-6, 20-27 en NL-HaNA, Koloniën / Mailrapporten, 2.10.36.02, inv.nr. 196, microfiche 4355, brief legercommandant aan gouverneur-generaal, Hoofdkwartier Bandoeng, 10 januari 1923, Departement van Oorlog, VIIde Afdeeling B, Intendance, 2de Kantoor, No. 135/VII B.

[10]NL-HaNA, Koloniën / Mailrapporten, 2.10.36.02, inv.nr. 402, microfiche 6819, brief legercommandant aan gouverneur-generaal, Hoofdkwartier Bandoeng, 29 mei 1934, Departement van Oorlog, VIIde Afdeeling B, Intendance, 2de Kantoor, No. 57/2/VII B.

[11]De nieuwe proefuniformen, Indisch Militair Tijdschrift, 66 (1935) 1, 244-245.

[12]NL-HaNA, Koloniën / Mailrapporten, 2.10.36.02, inv.nr. 402, microfiche 6819, verslag legercommandant 20 februari 1936 no. 89/2/VII B; NL-HaNA, Koloniën / Mailrapporten, 2.10.36.02, inv.nr. 402, microfiche 6819, Uittreksel uit het Besluit van den gouverneur-generaal van Nederlandsch-Indië, Batavia 20 maart 1936 no. 4 en NL-HaNA, Koloniën / Openbaar Verbaal, 2.10.36.04, inv.nr. 3633, V. 3 juni 1936 nr. 23, brief gouverneur-generaal aan Minister van Staat, minister van Koloniën, Buitenzorg, 9 mei 1936, No. 307/15.

[13]NL-HaNA, Koloniën / Mailrapporten, 2.10.36.02, inv.nr. 402, microfiche 6819, Overeenkomst met de N.V. Preanger Bontweverij te Garoet in zake de levering van uniformstof Garoet B.
In de overeenkomst is in artikel 3 sprake van garennummers 36/2 en 32/2, terwijl in artikel 7 de garennummers 36/1 en 32/2 worden vermeld. Het garennummer 36/1 is waarschijnlijk een fout.

[14]Natrium-hydrosulfiet = bleekpoeder, een chemische verbinding voor bleken van textiel.

[15]Paassen, W.J.C. van en J.H. Rugrok, Textielwaren, 18de druk, J.B. Wolters Groningen 1958, 38-39.

[16]NL-HaNA, Commissariaat Indische Zaken, 2.10.49, inv.nr. 3020, V. 9 januari 1939 no. 12, circulaire legercommandant aan de divisie- en regimentscommandanten ter kennisneming en aan de gewestelijk militair commandanten en plaatselijk (militair) commandanten op Java ter verspreiding aan alle gezaghebbenden in hun gewest (garnizoen). Doordruk aan alle afdelingshoofden van het Departement van Oorlog, Hoofdkwartier Bandoeng, 21 mei 1937, Departement van Oorlog, VIIde Afdeeling B. Intendance, 2de Kantoor, Nr. 137/2/VII B. en Hoofdkwartier Bandoeng, 9 juli 1937 Departement van Oorlog, VIIde Afdeeling B. Intendance, 2de Kantoor, Nr. 111/2/VII B. Zie ook Belangrijke brieven betreffende de nieuwe grijsgroene stoffage, (Garoet-B stof), Orgaan van de Nederlandsch-Indische Officiersvereniging, 1937 (22) 287-289.

[17]NL-HaNA, Commissariaat Indische Zaken, 2.10.49, inv.nr. 3020, V. 9 januari 1939 no. 12, brief directeur Koloniaal Etablissement aan Hoofd Afdeling C Commissariaat voor Indische Zaken, Amsterdam, 21 december 1938, Doss. Nr. 1525/P.; De textielfabriek te Garoet, De Indische courant, zaterdag 18 december 1937 en Heshusius, C.A., Het KNIL op zoek naar een doelmatig veldtenue, . . . enkele beschouwingen uit een moeizame periode…, Armamentaria, 26 (1991), 40.

[18]NL-HaNA, Commissariaat Indische Zaken, 2.10.49, inv.nr. 3721, V. 22 februari 1934 no. 14, concept-brief minister van Staat, minister van Koloniën met getypte toelichting en brief N.V. Ramaer’s Textielfabriek aan minister van Koloniën, Helmond, 7 februari 1934.
De namen van de andere twee Nederlandse fabrikanten, die naast de firma H. van Puijenbroek grijsgroen katoen leverden, werden in het archiefstuk niet genoemd.

[19]Bakker, A.J., Het leger en het gevangeniswezen, Indisch Militair Tijdschrift 57 (1926), 208-215 en NL-HaNA, Koloniën / Kabinet-Geheim Archief, 1901-1940, 2.10.36.51, inv.nr. 492, V. 22 mei 1937 Lr. N12 geheim, Feuilletau de Bruyn, W.K.H., Nota betreffende de economische verdediging van Nederlandsch-Indië, 148 en 155.

[20]NL-HaNA, Commissariaat Indische Zaken, 2.10.49, inv.nr. 2387, V. 27 november 1935 no. 29, staffel in potlood, gedateerd 25 november 1935.

[21]Kroese, W.T., Het begin van de industrialisatie van Indonesië. De stichting van de Preanger Bontweverij (PBW) te Garut, Koninklijke Textielfabrieken Nijverdal-Ten Cate N.V., Hengelo, z.j., 12-14,19 en 23-24.

[22]Kroese, W.T., Het begin van de industrialisatie van Indonesië. De stichting van de Preanger Bontweverij (PBW) te Garut, Koninklijke Textielfabrieken Nijverdal-Ten Cate N.V., Hengelo, z.j., noot 29 p. 64.
Het begrip ’later’ werd door de schrijver niet nader omschreven.

[23]NL-HaNA, Commissariaat Indische Zaken, 2.10.49, inv.nr. 2387, V. 27 november 1935 no. 29, brief minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart aan minister van Staat, minister van Koloniën, ’s-Gravenhage, 12 november 1935, Nr. 53251 H.P. Directie van Handel en Nijverheid; NL-HaNA, Commissariaat Indische Zaken, 2.10.49, inv.nr. 3451, V. 12 augustus 1936, no. 6, brief minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart aan minister van Staat, minister van Koloniën, ’s-Gravenhage, 23 juni 1936, Nr. 27510 H.P.  Directie van Handel en Nijverheid en brief minister van Staat, minister van Koloniën aan minister van Handel, Nijverheid en Scheepvaart, ’s-Gravenhage 12 augustus 1936 no. 6.

Parade Surabaya 10 november 1945

IMG_0313

Het zweet gutst van mijn hoofd, want ik loop met honderden verklede jonge mannen en vrouwen, door een haag van duizenden mensen in de metropool Surabaya in de brandende zon. Onophoudelijk worden er foto’s gemaakt, wordt er naar me gelachen en willen mensen me aanraken en krijg ik kinderen op mijn arm. Indonesische veteranen springen in de houding. Zo moet een popster zich waarschijnlijk voelen. Ik heb een groen KNIL uniform aan van het zogenaamde Gajah Merah (rode olifant) bataljon, ik draag een ‘plopperpetje’ en de replica stengun, bungelt nonchalant op mijn rug. Het is een zware maar memorabele wandeling deze 10 kilometer op legerkisten op 10 november ‘Hari Pahlawan’ (letterlijk heldendag), de nationale feestdag in Surabaya Indonesië. De miljoenenstad viert, herdenkt en erkent de strijd, de slachtoffers, de nabestaanden en veteranen van de Slag om Surabaya 10 november 1945. Ik was er op uitnodiging van ‘De Roode Brug’ een groep reenactors uit Surabaya, die de parade mede organiseert, maar ik zag deze dag reenactmentclubs uit Jakarta, Bandung, Semarang, Djokjakarta en zelfs uit Medan (Noord-Sumatra) meelopen en rijden. Want er zijn Jeeps, overvalwagens, motoren en er knalt veel vuurwerk. Het is een chaotische stadsguerilla, net als 70 jaar geleden. Op historische plekken langs de route van de parade zijn er nagespeelde confrontaties tussen verklede, Britse, Japanse, Indonesische militairen en ondergetekende KNIL ‘er. Bijvoorbeeld voor het schitterende Hotel Majapahit (vroeger Oranje Hotel) staat een grote groep Indonesische veteranen te salueren als de reenactors voorbij komen. Deze vorm van geschiedenisbeleving is zeer populair in Indonesië. Er worden met name data uit de Indonesische revolutie 1945-1950 gekozen, maar in een wat informelere sfeer zijn er iedere week wel ergens reenactors actief bij veteranengelegenheden, musea en lokale overheden.

IMG_0284
“Is dit wel een goed idee Ady?; vroeg ik aan de telefoon toen ik nog in Nederland was. “Hoezo” vroeg Ady Setiawan, voorzitter van de Roode Brug Surabaya, oprecht verbaasd. “Nou, ik ben een Nederlander zonder veel kleur en je vraagt mij als KNIL militair om dwars door de stad als ultieme ‘bad guy’ te gaan wandelen. “Nee, dat zag ik helemaal verkeerd en hij stond absoluut in voor mijn veiligheid, Pff alleen de gedachte al. En trouwens zei hij: “de bad guy gets all the girls”. Ady wilde maar zeggen dat ik eigenlijk een hoofdrol mocht vervullen in het Indonesische feest. En dat het een eer was dat iemand uit een koloniaal museum uit Nederland nota bene, de moeite nam om zich te verdiepen in het Indonesische perspectief. Er was nog een andere reden waarom ik huiverig was. Bij de slag om Surabaya zijn niet alleen naar schatting 16.000 Indonesiërs omgekomen en zo’n 600 Britten. Maar ook werden vele Indische mensen het slachtoffer van wraak van de revolterende Indonesiërs. Bovendien sloegen 200.000 Surabayanen op de vlucht voor het geweld. Ik ben teveel historicus om die verhalen en feiten helemaal te kunnen negeren.

IMG_0307
Maar goed, participerend antropologisch historisch onderzoek kan natuurlijk 70 jaar later geen kwaad. Trouwens, en dat is me al vaker opgevallen, dat bij dit soort gelegenheden altijd de Nederlandse kant van welke aard dan ook volledig ontbreekt. Nooit is er officieel of officieus iemand van de voormalige kolonisator aanwezig. Geen politicus, geen wetenschapper, geen journalist of zelfs maar een Nederlandse toerist. Terwijl hier Nederland toch ook een koloniale spiegel wordt voorgehouden.
Ik heb de reenactors van de Roode Brug er tenslotte wel op gewezen dat er op 10 november 1945 géén militairen van het KNIL met een Gadjah Merah embleem rond kunnen hebben gelopen in Surabaya. Dat bataljon werd toen nog getraind in Tamuan Thailand en kwam pas in maart 1946 aan in Nederlands-Indië/ Indonesië. Toen ik op ‘mijn’ slag om Surabaya tenslotte, moe maar uiterst voldaan, begroet werd door de burgemeester en gouverneur en vele veteranen, voelde ik me deel uitmaken van deze levende geschiedenis. Belangrijk voor Indonesië én Nederland.

Kijk ook naar de trailer: https://www.youtube.com/watch?v=4zDfoR3DXqk

Bataljons Marechaussee op Java

Inleiding

De infanterie van het Indische leger bestond in hoofdzaak uit veldbataljons, garnizoensinfanterie en depotbataljons. De veldbataljons lagen met name op het hoofdeiland Java. Deze eenheden vormde een mobiele reserve voor militaire operaties in de buitengewesten, de eilanden buiten Java en Madoera. Voor grote expedities werd uit de troepen op Java tijdelijk een expeditionaire macht geformeerd en uitgezonden. Zo’n troepenmacht bestond uit infanterie met daaraan toegevoegd de nodige hulpwapens als artillerie, cavalerie en genie.[1] Java leverde daarnaast de periodieke aflossingen van het personeel van de garnizoensbataljons. Een derde taak was de verdediging tegen een buitenlandse vijand. Deze taak werd met name vanaf de jaren dertig van de 20ste eeuw uiteindelijk de hoofdtaak. Organisatie en bewapening werden hierop afgestemd.

De garnizoensinfanterie lag met name in de buitengewesten. In detachementen verdeeld zorgde de garnizoensinfanterie voor het handhaven van de inwendige veiligheid: het handhaven van orde en gezag. Naast de garnizoensinfanterie werd in 1890 in Atjeh, Noord-Sumatra, het Korps Marechaussee opgericht. Dit korps werd het antwoord van het Indische leger op de guerrilla van Atjehse strijdgroepen. Het korps ontwikkelde daartoe een eigen strijdwijze. Deze was gebaseerd op met kleine eenheden ter grote van minimaal een brigade (groep) inheemse militairen onder Europese leiding de vijand actief in het eigen gebied opzoeken en bestrijden. Hun bewapening bestond vanaf 1899 uit de repeteerkarabijn M.95 kaliber 6,5 x 53,5 millimeter en de marechaussee-sabel (klewang). Dit concept bleek zo succesvol dat deze geleidelijk ingang vond bij de overige infanterie.

De garnizoensinfanterie kende naar landaard gemengde compagnieën. In 1905 werd besloten om de Europeanen bij de garnizoensinfanterie zoveel mogelijk te vervangen door Ambonezen.[2]

 

De depot infanterie had een zuivere opleidingstaak. Depotbataljons verzorgden de basisopleiding van Europese en inheemse rekruten. Deze vond plaats op Java.

 

Vanaf 1916 kende het Indische leger ook reguliere marechaussee-eenheden bij het leger op Java. Deze eenheden marechaussee maakten geen deel uit van het Korps Marechaussee. Zij zijn minder bekend dan het zusterkorps in Atjeh. Zij werden geringschattend ‘asfaltmarechaussee’ genoemd. Bij de beschrijving van deze eenheden wordt aandacht besteed aan het ontstaan, de taak en de wijze van organisatie.

 

Bewapeningsproblematiek

De infanterie van het Indische leger werd medio 1897 en 1899 bewapend met het repeteergeweer Model 95 (Mannlicher) kaliber 6,5 x 53,5 millimeter met bajonet. Voor de strijd tegen de binnenlandse vijand bleek deze fuselier-bewapening echter niet te voldoen. Het wapen was te zwaar en te lang (gewicht 4,2 kilogram; lengte 1,287 meter). In Atjeh was deze bewapening ook niet geschikt om een klewangaanval af te weren. Als doelmatig werd de zogenaamde marechaussee-bewapening gezien: repeteerkarabijn M.95 met klewang. Deze bewapening gaf de infanterie ‘meer vrijheid van beweging’.[3]

 

2005:06:07-1-9

Repeteerkarabijn Marechaussee Mannlicher Model 1895. Collectie Museum Bronbeek

 

Van een algehele verwapening op de karabijn kon vooralsnog echter geen sprake zijn. Eind 1901 waren in Indië 40.177 geweren M.95 en 2.832 karabijnen M.95 aanwezig. Aan korpsen waren 28.131 geweren uitgereikt of opgeslagen in wapenmagazijnen en 11.986 stuks waren opgelegd in oorlogsmagazijnen. Van de karabijnen waren 2.095 uitgereikt of lagen in wapenmagazijnen en 737 waren opgeslagen in oorlogsmagazijnen.[4]

Het Indische leger zag zich aldus geconfronteerd met een ongelijkheid tussen de benodigde bewapening en de feitelijk aanwezige bewapening. In Indië waren te weinig karabijnen voorradig om daarmee de infanterie standaard uit te rusten. Het leger was ruimschoots voorzien van geweren die te zwaar werden geacht voor met name de inheemse militair. Een oplossing voor deze ongelijkheid werd langs tweeërlei wegen gezocht. Vanaf 1905 werden infanterie-eenheden op expeditie tijdelijk uitgerust met de zogenaamde marechaussee-bewapening. Daarnaast werd geëxperimenteerd met het terugbrengen van het gewicht van het geweer.[5]

In 1911 viel uiteindelijk het besluit de gehele garnizoensinfanterie in de buitengewesten standaard te voorzien van de marechaussee-bewapening. Op Java werden in 1925 de niet-Europese compagnieën verwapend van het geweer met bajonet op de karabijn met klewang. De Europese compagnieën, militie en de landstorm bleven of werden met het geweer M.95 bewapend.[6]

 

Het KNIL kende aldus kort na de invoeren van het repeteergeweer stelsel Mannlicher (de M.95) feitelijk twee infanteriebewapeningen: de fuselier-bewapening en de marechaussee-bewapening. Na 1925 was de eerste de bewapening van de Europese infanterie. De marechaussee-bewapening vormde de bewapening van de inheemse infanterie, zowel in de buitengewesten als op Java.

De interne veiligheidstaak kwam nagenoeg uitsluitend bij eenheden te liggen die uit inheemse militairen onder Europese leiding waren samengesteld: garnizoensinfanterie en marechaussee. De Europese compagnieën op hun beurt vormden de kern van de met de defensietaak belaste eenheden van het KNIL.

 

Bij de veldinfanterie werd in 1912 ook de van het Korps Marechaussee bekende brigade (in de betekenis van groep) als organisatievorm overgenomen. De infanteriecompagnie zou uit vier sectiën (pelotons) bestaan, die voor de strijd tegen de inlandse vijand werden georganiseerd in twee brigades. Al naargelang landaard telde deze bij een Europese brigade 19 geweren (man) en bij een inheemse brigade 20 geweren.[7]

 

 

Tijdelijke Marechaussee-compagnieën

In 1905 werden eerst twee compagnieën Ambonezen van het 4de en twee inheemse compagnieën van het 16de bataljon infanterie van marechaussee-bewapening voorzien. In verband met acties op Celebes, Flores, Atjeh en Midden-Sumatra werd later het gehele 4de en drie compagnieën van het 16de bataljon verwapend. De verwapening van deze veldbataljons op de marechaussee-bewapening was tijdelijk. Het 4de bataljon werd in 1911 weer van de standaard fuselier-bewapening voorzien, omdat grote expedities niet meer werden verwacht.[8]

Tijdelijke marechaussee-compagnieën waren actief in onder andere Djambi 1906 en 1911, op Flores 1906 en Celebes 1909 en 1916. De marechaussee-compagnieën waren infanterie-eenheden die tijdelijk voorzien waren van een marechaussee-bewapening. Deze eenheden behoorden tot de garnizoens- of veldinfanterie en maakten geen deel uit van het Korps Marechaussee.

 

 

Marechaussee-divisies op Java 1916

Rond 1900 beleefde het banditisme in Batavia en de Ommelanden, het gebied om de kuststad Batavia, een bloeitijd. Het aantal (gewapende) roofovervallen vertoonde pieken in 1880, 1892, 1903, 1909-1911, 1918-1920 en 1934. De onderzoekster Van Till telde op basis van het Bataviaasch Nieuwsblad in 1902 23, in 1907 28, in 1908 21 en in 1920 27 roofovervallen. Deze pieken vielen samen met perioden van relatieve welvaart onder de Javaanse bevolking. De bendes hadden volgens Van Till geen of weinig politieke motieven, maar richten zich op diefstal van relatief welgestelde buren. Zij waren succesvol enerzijds door de beginnende modernisering met de introductie van een geldeconomie. Anderzijds profiteerden zij van een gezagsvacuüm als gevolg van een nog zwakke overheid. De grootschalige criminaliteit rond Batavia vormde een aanleiding tot de reorganisatie van de koloniale politie. Mede door de komst van de gemoderniseerde koloniale politie kwam aan de hoogtijdagen een eind. Bloembergen stelt in haar studie naar de koloniale politie dat de modernisering van de politie voortkwam uit de behoefte aan meer Europese controle over de politie en een meer ‘beschaafde’ politie als legitimering van het koloniale staat.[9]

 

Bij een gebrek aan een moderne koloniale politie op het platteland werd tegen bendes ook marechaussee ingezet. Volgens Van Till ging van de marechaussee patrouilles ‘alleen een dreigende werking uit’. De duidelijk aanwezig patrouilles waren spoedig bij de bendes bekend. Zij sloegen hun slag elders. De samenwerking tussen het Binnenlands Bestuur, politie en marechaussee liet door onduidelijke gezagsverhoudingen ook te wensen over. Soms werkte de gezagsorganen elkaar ronduit tegen.[10]

 

Op Java werden bij gouvernementsbesluit van 5 oktober 1916 nummer 19 tijdelijk buiten de formatie van het Indische leger twee divisiën[11] marechaussee opgericht. De divisies bestonden uit Ambonese en inheemse militairen onder Europees, Ambonees en inheems kader met een gezamenlijke formatie van 416 man. De standplaatsen waren Meester-Cornelis en Soerabaja. De divisie West-Java telde drie detachementen. De divisie Oost-Java was over twee detachementen (Lamongan en Lawang) verdeeld. Een politionele opleiding ontvingen deze marechaussees niet.[12] De reden van deze tijdelijke formatie werd in het gouvernementsbesluit niet vermeld. De veiligheidssituatie op het Javaanse platteland zal hieraan echter niet vreemd zijn geweest.

 

In 1919 werd de divisie Oost-Java samen met enige andere kleine legereenheden ingezet in de residentie Kediri. Rietdiefstallen hadden hier grote vorm aangenomen. Jonge rietaanplant voor de suikerproductie van suikerfabrieken werd moedwillig aangestoken. Deze branden veroorzaakten grote economische schade. De brandstichtingen worden in moderne studies gezien als een uiting van sociale onrust onder de inheemse bevolking. Toentertijd werden de rietbranden veelal als een criminele daad afgeschilderd. Het werd gezien als een koloniaal veiligheidsprobleem. Zodanig dat het leger werd ingezet. Het leger sloot het gebied af en patrouilleerde intensief.[13]

 

Ter bestrijding van het bendewezen en rampokpartijen (roofovervallen) in de afdeling Meester-Cornelis zette het gouvernement extra politie in. Boven de sterkte van de stadspolitie werd een geïmproviseerde veldpolitie geformeerd die opereerde vanuit het landhuis Tjililitan. Deze ongeveer 65 man waren echter niet voldoende. Daarom werd in november 1919 militaire hulp ingeroepen. De beide divisies marechaussee stonden in 1919 op de nominatie om te worden opgeheven. Op verzoek van het Binnenlands Bestuur werden de divisies echter aangehouden. Zolang de in oprichting zijnde veldpolitie nog niet functioneerde was de marechaussee nodig. De divisie uit Oost-Java werd begin 1921 naar de residentie Batavia overgeplaatst. De marechaussee, ter sterkte van ongeveer 400 man, kwam ter beschikking van de resident van Batavia, een Europees bestuursambtenaar. Daarmee stond de campagne tegen de rampokkers onder een centrale leiding.

De vijf afdelingen marechaussee werden gelegerd in de landhuizen Tjipoetat, Rustenburg (Tjawang) en Klender en in Poerwakarta en Tjibaroesa. Een detachement bestond uit vier brigades van 22 man. Na het gereed komen van onderkomens zouden de laatste twee afdelingen naar Bekasi en Tjikarang worden verplaatst. De marechaussees werkten met patrouilles door de streek preventief. De patrouilles werden in 6 man gelopen. Na enige maanden kregen de patrouilles ook de bevoegdheid ‘s avonds verdachte personen op te pakken. Deze werden overhandigd aan het bestuur of de politie. Hiertoe werd een deel van de militairen aangesteld tot onbezoldigd politieagent 1ste klasse, politieopziener of commissaris van politie met de daaraan verbonden benodigde politionele bevoegdheden. Additioneel werd ook de recherche versterkt. Dit pakket van maatregelen wierp vruchten af. Het optreden werd in de pers een succes genoemd.[14]

 

Per 1 januari 1923 werden de beide divisies als infanteriecompagnieën met marechaussee-bewapening bij twee veldbataljons ingedeeld. De detachementen Klender en Bekasi vormden de marechaussee-compagnie van Inf XI (11de bataljon infanterie) te Meester-Cornelis. De marechaussee-compagnie van Inf XII werd geformeerd uit de detachementen Tjipoetat en Tjawang. Het detachement Poerwakarta was reeds eind 1922 opgeheven.[15]

 

Begin 1923 werden de twee marechaussee-compagnieën tijdelijk met de bewaking van de buitenwijken van Batavia en Meester-Cornelis belast. Uit bezuinigingsoverwegingen moest het korps stadspolitie Batavia inkrimpen. De overheid hield rekening met de mogelijkheid dat hierdoor de stadspolitie niet meer voor de veiligheid zou kunnen zorgen. De kosten kwamen voor rekening van het Binnenlands Bestuur. Het lag in de bedoeling dat de onlangs opgerichte veldpolitie deze taak uiteindelijk zou overnemen. Met ingang van 1 januari 1925 was het zover en trad de veldpolitie in de plaats van de marechaussee.[16]

In een onderzoek van een Europees bestuursambtenaar werd gesteld dat de marechaussee door de bevolking werd gevreesd. In vergelijking met de marechaussee werd het optreden van de veldpolitie meer bescheiden en kalm genoemd. In de Eerste Kamer van de Staten-Generaal te Den Haag vertolkte de sociaal-democraat ir. H.H. van Kol in 1924 een ander geluid. Hij achtte de veldpolitie niet berekend voor haar taak. Hij stelde voor deze te vervangen door een korps marechaussee voor geheel Java. De marechaussee had immers in korte tijd in de Ommelanden een eind gemaakt aan ‘een ongelooflijke terreur’. S. de Graaff, de minister van Koloniën, vond dat de veldpolitie zich juist als plattelandspolitie had bewezen en voelde niets voor het voorstel van de senator.[17]

 

Attila kapitein marechaussee model 1911. Collectie Museum Bronbeek

 

Marechaussee-compagnieën Legerformatie 1925

In 1925 werd voor het Indische leger een nieuwe legerformatie vastgesteld en werd de bewapening van de niet-Europese compagnieën van de veldinfanterie gewijzigd.

De zes regimenten infanterie bestonden ieder vanaf 1925 uit een staf, drie bataljons en een mitrailleurcompagnie. Elk bataljon bestond uit een staf, drie landaardsgewijs gevormde compagnieën en een mobilisabele vierde compagnie. Bij elk van de zes regimenten telde één bataljon een vijfde compagnie. Deze in totaal zes compagnieën werden georganiseerd als een marechaussee-compagnie. De twee vroegere marechaussee-compagnieën maakten hier deel vanuit. De marechaussee-compagnie telde 3 officieren, 15 onderofficieren en 172 mindere militairen van niet-Europese landaard.[18]

 

 

Bataljons Marechaussee 1927

Bij de formatiewijziging van 1927 werden de verschillende taken van het Javaleger voortaan organisatorisch gesplitst. De troepen in regimentsverband richten zich op de zogenaamde defensietaak of neutraliteitshandhaving: de strijd tegen een eventuele buitenlandse vijand. De marechaussee-compagnieën werden uit de organisatie van de regimenten genomen. Hun voornaamste taak was de strijd tegen de binnenlandse vijand.

De zes marechaussee-compagnieën werden in twee marechaussee-bataljons samengevoegd. Elk bestaande uit een staf en drie compagnieën. Java was in 1922 territoriaal verdeeld in twee militaire afdelingen. In elk van de twee afdelingen werd een Bataljon Marechaussee gestationeerd. Het eerste marechaussee-bataljon (Mar I) lag met staf in Bandoeng en met de compagnieën in Serang, Madjalengka en Tjilatjap. Van het Mar II werd de staf en de eerste en tweede compagnie in Soerabaja gelegerd en de derde compagnie (3-Mar II) in Bondowoso. In 1935 was de dislocatie: staf Mar I (Batavia), 1-Mar I (Meester-Cornelis), 2-Mar I (Serang), 3-Mar I (Madjalengka), staf Mar II (Soerabaja), 1-Mar II (Ambarawa), 2-Mar II (Malang) en 3-Mar II (Bondowoso).[19]

 

Het bataljonsverband vervulde een zuiver administratieve functie. De marechaussee-compagnieën stonden onder tactisch bevel van lokale bevelhebbers. De marechaussee-compagnie telde eind 1941 een staf, drie secties en een troepentrein. De oorlogsformatie bestond uit 218 man: waarvan 3 officieren, 15 man Europees en 174 niet-Europees beroepspersoneel en 26 inheemse dragers.

De compagniestaf telde naast de officier compagniescommandant een sergeant met een fiets, twee ordonnansen op een fiets en een motorrijder met een motor met zijspan. Deze motor met zijspan was bestemd voor de compagniescommandant.

Een sectie telde 57 man en bestond uit een staf met een officier of onderofficier sectiecommandant, een hoornblazer en een ordonnans en drie brigades. De brigade telde 18 man: een Europees of niet-Europese sergeant als brigadecommandant, een niet-Europese sergeant of Europese brigadier, een niet-Europese korporaal en 15 mindere militairen. De bewapening bestond uit de karabijn M.95 en de klewang en per brigade uit een karabijnmitrailleur Madsen M.15.

De gevechtstrein telde 43 man en beschikte over een truck, twee 2 ton vrachtwagens en 26 inheemse dragers.[20] De karabijnmitrailleur maakte aanvankelijk geen deel uit van de bewapening.

 

Eerste luitenant-adjudant A. Visser wees in een artikel in het Indisch Militair Tijdschrift in 1929 op het probleem van de dragers bij de Bataljons Marechaussee. Het Korps Marechaussee in Atjeh kon nog beschikken over inheemse dwangarbeiders als dragers. Deze stonden de marechaussee op Java echter niet ter beschikking. Op Java verrichtten inheemse gestraften na 1905 arbeid binnen de gevangenis. Dragers moesten op Java worden ingehuurd. Deze procedure beperkte de inzetbaarheid. Snel uitrukken was niet mogelijk want de dragers moesten een dag van tevoren worden aangevraagd. Geregeld moesten dragers in verband met fysieke ongeschiktheid of door het weglopen tijdens patrouilles worden vervangen. Op de loyaliteit van dragers uit een streek waar van verzet sprake was kon niet worden gerekend. Luitenant Visser wees daarnaast op het gevaar dat deze dragers liepen in het geval van gevangenname door een buitenlandse vijand. Als burgers die diensten verrichtten voor het leger waren zij volgens hem vogelvrij. Hij stelde daarom voor om bij de bataljons Marechaussee militair georganiseerde dragersafdelingen op te richten. Zijn gedachte ging daarbij uit naar 39 militaire dragers per compagnie.[21] Dit voorstel werd overgenomen. In 1941 telde een marechaussee-compagnie 26 dragers.

 

Taak

De voornaamste taak van de marechaussee-compagnieën was in oorlogstijd of bij ernstige binnenlandse onrust het handhaven van orde en rust. Dit was de zogenaamde politiek-politionele taak van het leger. In geval van een op Java gelande buitenlandse vijand moest de marechaussee tegen hen de kleine oorlog voeren. Dit betrof verrassende overvallen op de flanken, rug, operatiebasis en communicatielijnen. Tijdens de strijd tegen een buitenlandse vijand zouden de marechaussee-bataljons ook in de rug van het leger fungeren als militaire politie. Als zodanig moest zij optreden tegen losbandigheid, verslapping van de tucht en demoraliserende invloeden.[22]

 

De marechaussee op Java was georganiseerd en bewapend voor de strijd tegen de binnenlandse vijand en het voeren van de kleine oorlog. Het in 1924 verschenen Voorschrift voor de uitoefening van de politiek-politioneele taak van het leger, afgekort V.P.T.L., was de tactische en opleidingsleidraad voor de de marechaussee.

 

In het Interbellum kreeg het KNIL met diverse bezuinigingsrondes te maken. Aan de basis hiervan lagen de economische recessies van 1921 en 1929. Daarnaast bood de internationale ontspanning aan het begin van de jaren twintig de mogelijkheid tot bezuinigingen op de defensie-uitgaven: vredesdividend werd geïnd. De bezuinigingsronde van 1930 en volgende jaren wist het KNIL voor een deel af te wentelen op de veldpolitie. Deze werd onder andere ingekrompen door het opheffen en het overdragen van enige detachementen aan het leger. De veldpolitie was in 1920 opgericht om de onveiligheid op het platteland van Java te bestrijden. De veldpolitie werd in detachementen gekazerneerd. De detachementen hadden primair een preventieve taak. Hiervoor werden rondediensten verricht in de vorm van patrouilles van minstens twee man te voet, op de fiets, motor of te paard. Bij wijze van machtsvertoon moest de veldpolitie ook in gesloten afdelingen marcheren en oefeningen houden.[23]

 

In 1932 adviseerde een Leger-Politie-Commissie dat in verband met bezuinigingen in het bijzonder op Java de marechaussee taken van de veldpolitie zou kunnen overnemen. Met ingang van 1 juli 1933 verving de marechaussee in West-Java en in Oost-Java de veldpolitie voorlopig op acht detachementen. Eind 1934 werden hieraan nog zeven toegevoegd.[24]

 

Detachement Ingesteld Marechaussee Bataljon Marechaussee compagnie
Tjikarang 1 juli 1933 I 1-Mar I
Bekasi 1 juli 1933 I 1-Mar I
Rangkasbitoeng december 1934 I 2-Mar I
Krawang december 1934 I 2-Mar I
Indramajoe 1 juli 1933 I 3-Mar I
Madjalengka 1 juli 1933 I 3-Mar I
Tjibaroesa december 1934 I 3-Mar I
Demak december 1934 II 1-Mar II
Poerwodadi december 1934 II 1-Mar II
Temanggoeng december 1934 II 1-Mar II
Trenggalek 1 juli 1933 II 2-Mar II
Toeloengagoeng 1 juli 1933 II 2-Mar II
Wlingi december 1934 II 2-Mar II
Banjoewangi 1 juli 1933 II 3-Mar II
Genteng 1 juli 1933 II 3-Mar II

 

 

Bij de overgenomen veldpolitie detachementen geplaatste mantri’s politie bleven ter plaatse. Dat waren inheemse bestuursambtenaren die bij de politie waren gedetacheerd. Zij werden voor het grootste deel ingezet voor het recherchewerk; het opsporen van misdrijven en overtredingen en het instrueren van strafzaken.[25]

 

De officieren, onderofficieren, brigadiers en korporaals van de marechaussee volgden een politionele opleiding aan de Opleidingsschool voor het Personeel der Politie te Soekaboemi. Voor officieren duurde de cursus vijf maanden, voor Europese onderofficieren zes en vier maanden voor de overigen. Dit kader leidde vervolgens in vijf maanden in hun garnizoenen de marechaussees 1ste en 2de klasse op. Manschappen met de functie motorrijder of motorreparateur werden eveneens te Soekaboemi opgeleid. Na de opleiding werd ten hoogste de helft van een marechaussee-compagnie ter beschikking gesteld van het Binnenlands Bestuur. De marechaussees werden achttien maanden aaneengesloten bij de veldpolitie te werk gesteld. Daarna keerden zij naar hun garnizoenen terug. Een nieuwe lichting politioneel opgeleide marechaussees nam hun taak over. In 1935 werd bepaald dat de helft van de als veldpolitie tewerkgestelde marechaussees om de negen maanden zou worden afgelost.

 

De formatie van een marechaussee-compagnie met 170 ongegradueerden bleek onvoldoende om de benodigde mankracht voor de detachementen en de aflossing te kunnen leveren. Daarom werd de sterkte aan ongegradueerden uitgebreid tussen de 160 tot 200 man.

Een politieagent moest enige kennis hebben van lezen en schrijven in Latijnse karakters.[26] In navolging van deze eis werd bepaald dat bij de marechaussee voortaan geen analfabeten geplaatst mochten worden. Marechaussees, die niet konden lezen en schrijven kregen hierin drie dagen per week een uur les.

 

Door het leger en de politie werd de inzet van marechaussees als veldpolitie als een noodgreep gezien. Begrijpelijkerwijs kwam de kritiek met name van de kant de politie. Deze constateerde dat ‘hare effectieve politioneele waarde aanvankelijk belangrijk minder was dan van de beroepspolitie.’ ‘Het gemis aan praktische politioneele kennis, recherchewerk, verbaliseeren (…..) en onvoldoende kennis van het gebruik der vervoermiddelen, deden zich aanvankelijk geducht voelen, terwijl noodwendig militairen moesten worden ingezet van anderen landaard dan de bevolking van de streek, waarin zij opereerden. De periodieke aflossingen van het personeel der Maréchaussée-Veldpolitiedetachementen door andere Maréchaussée’s is eveneens een bezwaar gebleven.’[27]

 

Van de kant van het leger werd gesteld dat het optreden van de marechaussees de bezwaren nagenoeg hadden weggenomen. Wel bleek dat na terugkeer van het politiewerk de marsvaardigheid, schietvaardigheid, orde en theoretische kennis van de marechaussees achteruit was gegaan. Om de militaire waarde weer op peil te brengen zou minstens zes maanden nodig zijn.[28]

 

Als marechaussee-veldpolitie werkten 552 man. Met de toenemende externe militaire dreiging wilde het leger in 1940 weer de beschikking krijgen over deze gedetacheerde marechaussees. In augustus werd tot vervanging besloten. De veldpolitie kon de taken echter niet direct overnemen. Ter vervanging moest middelbaar kader en het overige politie personeel nog worden opgeleid. Medio 1941 zou met de vervanging een aanvang worden gemaakt.[29] De marechaussee-veldpolitie had haar langste tijd gehad.

Kort voor of bij het uitbreken van de oorlog in de Pacific in december 1941 werden vijf van de zes marechaussee-compagnieën opgeheven. De vrijgekomen brigade’s marechaussee werden met personeel van twee eveneens opgeheven kort verband compagnieën (Malang) gereorganiseerd tot enige met mitrailleurs bewapende infanteriecompagnieën. Deze eenheden waren bestemd voor de verdediging van vliegvelden in de buitengewesten. Het lukte niet meer alle detachementen op de plaats van bestemming te krijgen.[30]

 

Uniformering

 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Grijsgroene jas luitenant-kolonel marechaussee. Collectie Museum Bronbeek

De marechaussee op Java droeg hetzelfde uniform als het Korps Marechaussee.[31] De bij deze onderdelen geplaatste officieren, onderluitenants, vaandrigs en adjudanten-onderofficier droegen het velduniform, zoals voorgeschreven voor het wapen of dienst waarvan zij afkomstig waren. Op de grijsgroene veldjas werden rangonderscheidingstekenen in de vorm van kraagbelegsels gedragen. Het laken van de kraagbelegsels was aan de kraagzijde schelpvormig uitgesneden. Het onder het laken aangebrachte geblokte goudgalon werd hierdoor zichtbaar in de vorm van een E. Om de mouwen een gouden tres met krul. Militairen beneden de rang van adjudant-onderofficier droegen op de veldjas een oranje belegsel in de vorm van een E op de kraag en een platte oranje tres om de mouwen.

2000_11_13-4-2_recto

Rangonderscheidingstekenen sergeant-majoor instructeur Marechaussee voor kraag veldtenue M1937. Collectie Museum Bronbeek

Voor de marechaussee-veldpolitie werd bij gouvernementsbesluit 3 juni 1933 nummer 17 een apart onderscheidingsteken ingevoerd. Dit was een zichtbaar teken van de opsporings- en andere politionele bevoegdheid. Dit onderscheidingsteken werd gedurende de tijd dat de militairen ter beschikking van het Binnenlands Bestuur stonden gedragen. Het bestond uit een krans van eikenloof met waarin de letters VP. Het onderscheidingsteken was van zilver of van een ander wit metaal. Voor de niet met Europese sergeanten in betaling gelijkgestelde niet-Europese sergeanten 1e klasse en de militairen van lagere rang was het onderscheidingsteken voorzien van een zwart ingelegd volgnummer. Het werd op de rechterborst gedragen. Op de attila tussen de twee bovenste borsttressen en op de mantel, overjas of regenjas op dezelfde hoogte als op de attila.[32]

1998:06:01-2-13:23 kopie

Onderscheidingsteken voor militairen met volledige politionele bevoegdheid. Collectie Museum Bronbeek

 

Literatuur

 

Bloembergen, Marieke, De geschiedenis van de politie in Nederlands-Indië. Uit zorg en angst. Boom Amsterdam KITLV Uitgeverij Leiden 2009.

 

Hojel, W.L.A., De marechaussee als veldpolitie op Java (I), Indisch Militair Tijdschrift, 67 (1936), 1116-1124 en (II), Indisch Militair Tijdschrift, 68 (1937), 1-10.

 

Marechaussee, Graaff, S. de en D.G. Stibbe (red.), Encyclopædie van Nederlandsch-Indië, Tweede Deel H – M, Martinus Nijhoff ‘s-Gravenhage en N.V. v/h E.J. Brill Leiden 1918, 675.

 

Marechaussee, Stibbe, D.G. de en J. Stroomberg (red.), Encyclopædie van Nederlandsch-Indië, Zesde Deel, Martinus Nijhoff ‘s-Gravenhage 1932, tweede druk, 250-251.

 

Till, Margreet van, Batavia bij nacht. Bloei en ondergang van het Indonesische roverswezen in Batavia en de Ommelanden 1869-1942, Aksant Amsterdam 2006.

 

Vries, G. de en B.J. Martens, Nederlandse vuurwapens. KNIL en Militaire Luchtvaart 1897-1942. De Bataafsche Leeuw Amsterdam 1995

 

Noten

[1] Kroon, F., Onze weermacht in Indië, Populair Wetenschappelijk Nederland No. 16, Algemeene Uitgevers-Maatschappij, Amsterdam, z.j. (waarschijnlijk 1917), p. 8-9.

[2] Handelingen der Staten-Generaal. Kamerstuk Tweede Kamer 1905-1906 kamerstuknummer 4 ondernummer 7, Begrooting van Nederlandsch-Indië voor het dienstjaar 1906, 21. Zie www.statengeneraaldigitaal.nl en H.B., Leger, Encyclopædie van Nederlandsch-Indië, Weltevreden 2de druk 1918 II, 552.

[3] Handelingen der Staten-Generaal. Kamerstuk Tweede Kamer 1898-1899 kamerstuknummer 5 ondernummer 2, Koloniaal Verslag van 1898, 29; Handelingen der Staten-Generaal. Kamerstuk Tweede Kamer 1900-1901 kamerstuknummer 5 ondernummer 2, Koloniaal Verslag van 1900, 50 en Handelingen der Staten-Generaal. Kamerstuk Tweede Kamer 1905-1906 kamerstuknummer 5 ondernummer 2, Koloniaal Verslag van 1905, kolom 89-90. Zie www.statengeneraaldigitaal.nl.

[4] Handelingen der Staten-Generaal. Kamerstuk Tweede Kamer 1902-1903 kamerstuknummer 5 ondernummer 2, Koloniaal Verslag van 1902, kolom 102-103. Zie www.statengeneraaldigitaal.nl.

[5] Handelingen der Staten-Generaal. Kamerstuk Tweede Kamer 1905-1906 kamerstuknummer 5 ondernummer 2, Koloniaal Verslag van 1905, kolom 89-90. Zie www.statengeneraaldigitaal.nl en Vries, G. de en B.J. Martens, Nederlandse vuurwapens. KNIL en Militaire Luchtvaart 1897-1942. De Bataafsche Leeuw Amsterdam 1995, 60-63 en 74-77 .

[6] Handelingen der Staten-Generaal. Kamerstuk Tweede Kamer 1912-1913 kamerstuknummer 5 ondernummer 1, Koloniaal Verslag van 1912, kolom 52 en Handelingen der Staten-Generaal. Kamerstuk Tweede Kamer 1926-1927 kamerstuknummer 5 ondernummer 1, Verslag van bestuur en staat van Nederlandsch-Indië, Suriname en Curaçao van 1926, kolom 41. Zie www.statengeneraaldigitaal.nl.

[7] Mededeelingen betreffende het Indisch leger, Indisch Militair Tijdschrift 42 (1911), 1080.

[8] Mededeelingen betreffende het Indisch leger. Indisch Militair Tijdschrift 42 (1911), 1080.

[9] Till, Margreet van, Batavia bij nacht. Bloei en ondergang van het Indonesische roverswezen in Batavia en de Ommelanden 1869-1942, Aksant Amsterdam 2006, 61-63, 199, 215-220 en 237-246 en Bloembergen, Marieke, De geschiedenis van de politie in Nederlands-Indië. Uit zorg en angst. Boom Amsterdam KITLV Uitgeverij Leiden 2009, 172-173.

[10] Till, Margreet van, Batavia bij nacht. Bloei en ondergang van het Indonesische roverswezen in Batavia en de Ommelanden 1869-1942, Aksant Amsterdam 2006, 194-199.

[11] De aanduiding divisie werd overgenomen van het Korps Marechaussee en was gebaseerd op de organisatie van de Koninklijke Marechaussee in Nederland. Een divisie bij de marechaussee is het equivalent van een compagnie bij de infanterie.

[12] Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Koloniën, nummer toegang 2.10.02, inventarisnummer 8623, gouvernementsbesluit 5 oktober 1916 nr. 19: Marechaussee, Graaff, S. de en D.G. Stibbe (red.), Encyclopædie van Nederlandsch-Indië, Tweede Deel H – M, Martinus Nijhoff ‘s-Gravenhage en N.V. v/h E.J. Brill Leiden 1918, 675; Marechaussee, Stibbe, D.G. de en J. Stroomberg (red.), Encyclopædie van Nederlandsch-Indië, Zesde Deel, Martinus Nijhoff ‘s-Gravenhage 1932, tweede druk, 250-251 en Marechaussee als politie, Bataviaasch Nieuwsblad, donderdag 1 februari 1921, 39ste jaargang. Zie www.kranten.delpher.nl.

[13] Bloembergen, M., De geschiedenis van de politie in Nederlands-Indië. Uit zorg en angst. Boom Amsterdam, KITLV Leiden 2009, 109-117 en Het Leger naar Kediri, Nieuws van den dag van Nederlandsch-Indië, maandag 10 februari 1919, no. 33. Zie www.kranten.delpher.nl.

[14] Tegen de rampokkers, Het nieuws van den dag in Nederlandsch-Indië, 7 december 1920, 25ste jaargang; Marechaussee als politie, Bataviaasch Nieuwsblad, donderdag 1 februari 1921, 37ste jaargang en Rampokkerij in de afdeling Meester-Cornelis, Bataviaasch Nieuwsblad, dinsdag 30 augustus 1921, 37ste jaargang no. 227. Zie www.kranten.delpher.nl.

In het laatste artikel worden als detachementen genoemd: Poerwakarta, Bekasi, Klender, Tjawang en Tjipoetat.

Volgens Marechaussee als politie, Bataviaasch Nieuwsblad, donderdag 1 februari 1921, 39ste jaargang waren de patrouilles niet 6 maar 3 man sterk.

[15] Marechaussee als politie, Bataviaasch Nieuwsblad, donderdag 1 februari 1921, 39ste jaargang. Zie www.kranten.delpher.nl.

[16] Stadsnieuws, Bataviaasch Nieuwsblad, woensdag 21 januari 1925, 41ste jaargang, nr. 51, Zie www.kranten.delpher.nl. ; Marechaussee, Stibbe, D.G. de en J. Stroomberg (red.), Encyclopædie van Nederlandsch-Indië, Zesde Deel, Martinus Nijhoff ‘s-Gravenhage 1932, tweede druk, 250-251 en Handelingen Staten-Generaal, Aanhangsel Eerste Kamer 1923-1924 nummer 60, 98. Zie www.statengeneraaldigitaal.nl.

[17] Bloembergen, M., De geschiedenis van de politie in Nederlands-Indië. Uit zorg en angst. Boom Amsterdam, KITLV Leiden 2009, 225-226 en Handelingen Staten-Generaal, Aanhangsel Eerste Kamer 1923-1924 nummer 60, 98. Zie www.statengeneraaldigitaal.nl.

[18] Legerorder 1925 No. 13, Legersamenstelling, Verzameling van Algemeene Orders voor het Indische leger 1833 t/m 1925, Tweede deel 1916 t/m 1925, Weltevreden 1926, 1168 en Marechaussee, Stibbe, D.G. de en J. Stroomberg (red.), Encyclopædie van Nederlandsch-Indië, Zesde Deel, Martinus Nijhoff ‘s-Gravenhage 1932, tweede druk, 250-251.

[19] Staatsblad 1927, 416; Volksraadsoverzicht, Indisch Militair Tijdschrift 58 (1927) 618 en Doornum, H. van, Zakboekje voor de officier van het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger, Typ. N.V. Boekhandel en Drukkerij Visser & Co. Bandoeng 1935, I.2 en I.3.

[20] Australian War Memorial: AWM 54, 16/2/4, File: 422/7/8, Notes on Dutch Army Netherlands East Indies – General organization and composition of, including maps of defended locations, 30/11/41.

[21] Visser, A., Het dragers-treinvraagstuk bij de Marechaussee-bataljons op Java, Indisch Militair Tijdschrift, 60 (1929), 354-357 en Bakker, A.J., Het leger en het gevangeniswezen, Indisch Militair Tijdschrift 57 (1926) 208-209.

[22] Voorschrift voor de opleiding en de oefening der infanterie. (V.O.I.) Uitgave 1927, D.v.O. II No. 4., Reproductiebedrijf Top. Dienst, Weltevreden 1927, punten 42 -52 en Algemeen Tactisch Voorschrift. (A.T.V.) Uitgave 1925, D.v.O. VII A. No. 15., Topografische Inrichting Weltevreden 1925, punt 173.

[23] Teitler, G., De Indische Defensie en de Bezuinigingen, Bijdragen van de sectie militaire geschiedenis 16, Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf, ’s-Gravenhage 1985, 11-58 en 59 en Dekker, P., De Politie in Nederlandsch-Indië. Hare beknopte geschiedenis, haar taak, bevoegdheid, organisatie en optreden, Drukkerij Patria Soekaboemi, z.j. [1929], 215-216.

[24] Hojel, W.L.A., De marechaussee als veldpolitie op Java (I), Indisch Militair Tijdschrift, 67 (1936), 1116-1124 en Hojel, W.L.A., De marechaussee als veldpolitie op Java (II), Indisch Militair Tijdschrift, 68 (1937), 1-10.

[25] Kartowisastro, Hermen, De Inlandsche ambtenaar bij de Politie, Jubileumnummer van de Nederlandsch-Indische Politiegids 1916-1939, 20 (1936) 87-91.

[26] Algemeen Reglement voor de Opleidingsschool voor het Personeel der Politie, art. 13, Koster, S. en P. Dekker, Handboek voor Politieambtenaren eveneens van belang voor bestuur en rechterlijke macht, Bureau tot uitgave van werken op politiegebied, Weltevreden 1930.

[27] Gottlieb, J., Leger en Politie, Jubileumnummer van de Nederlandsch-Indische Politiegids 1916-1939, 20 (1936) 79-81.

[28] Hojel, W.L.A., De marechaussee als veldpolitie op Java (II), Indisch Militair Tijdschrift, 68 (1937), 8-10.

[29] Uit den Volksraad, Indisch Militair Tijdschrift, 71 (1940), 883; De Politie. De middelbare rangen, De Indische Courant, dinsdag 8 oktober 1940, 20ste jaargang nr. 20. Zie www.kranten.delpher.nl en Gulik, B.A. van, Handhaving van orde, rust en veiligheid en overige gevallen van militairen bijstand gedurende het jaar 1940, Indisch Militair Tijdschrift, 72 (1941), 309.

[30] Nationaal Archief, Den Haag, Netherland Forces Intelligence Service [NEFIS] en Centrale Militaire Inlichtingendienst [CMI] in Nederlands-Indië, nummer toegang 2.10.62, inventarisnummer 421, Rapport inzake de oorlogsvoering met Japan, Melbourne maart 1942, 2 en Bakkers, R., Het Koninklijk Nederlands-Indische Leger voor en gedurende zijn strijd tegen de Japanse invasie, typoscript z.p., z.j. [1947], 22.

[31] Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Koloniën, nummer toegang 2.10.02, inventarisnummer 8623, gouvernementsbesluit 5 oktober 1916 nr. 19.

[32] Kleedingvoorschrift. Eerste deel (Kl. V. I), Uitgave 1941, D.v.O. VII B Nr. 6, Reproductiebedrijf td. Batavia-Centrum 1941, 31 en 71-72.

Reddingsvest Nichimei maru

Schenking

In 1994 schonk de heer A.B. Kresmer een reddingsvest aan Museum Bronbeek. Kresmer was in voormalig Nederlands-Indië sergeant-majoor in het KNIL. Als krijgsgevangene werd hij in januari 1943 op transport naar Birma ingescheept op de Nitimei maru. Het schip werd onderweg gebombardeerd en zonk. Dit reddingsvest heeft hem boven water gehouden. Eenmaal in Birma aan land werd Kresmer door de Japanners met medegevangenen verder getransporteerd naar een interneringskamp en tewerkgesteld aan de Birma-Siamspoorweg. Zijn echtgenote en dochter brachten de oorlog door in een interneringskamp voor burgers in Nederlands-Indië.

 

Reddingsvesten

Het aantal Nederlandse slachtoffers bij de schipbreuk van de Nitimei Maru was betrekkelijk laag. Hiervoor zijn twee oorzaken aan te wijzen. Allereerst werd het schip op het achterdek getroffen, waar juist de Japanners zaten; Nederlanders werden voor zover bekend niet direct geraakt. Daarnaast speelde het optreden van Luitenant ter Zee 1e klasse der Koninklijke Marine Theodoor Smits een belangrijke rol, waarvoor hij het Kruis van Verdienste toegekend kreeg (KB. 25 juni 1947 no.91). LtZ1 Smits had op de Nitimei Maru 350 van de bijna duizend Nederlandse krijgsgevangenen onder zijn leiding. Vanaf het vertrek van Singapore was de toestand op de schepen benauwd. Er was weinig eten en drinken, nauwelijks hygiëne, geen verzorging en er heerste dysenterie. Na het vertrek van Penang had Smits de opdracht gegeven na te gaan of er reddingsvesten waren. Er werden aanvankelijk enkele honderden gevonden, maar lang niet voldoende voor iedereen. Uiteindelijk bleek er in het eerste ruim nog een groot aantal reddingsvesten opgeslagen, die tijdens de duisternis door de Nederlanders werden gekaapt. LtZ Smits droeg iedereen op zijn reddingsvest te allen tijde bij zich houden. Toen op 15 januari de Nitimei Maru gebombardeerd werd, verlieten de krijgsgevangenen hun ruim en troffen op het dek een chaos aan. Het schip maakte snel slagzij en zou binnen driekwartier zinken. De sloepen waren bij de explosies vernield. Niets anders dan de reddingsvesten restte nog. Wie kon zwemmen, sprong overboord. Moeilijker was dat voor hen die het water niet in durfden. LtZ Smits liet hen, voorzien van reddingsvest, één voor één bij zich komen, waarna hij hen van boord duwde. In zee verzamelden de drenkelingen wrakhout om vlotten samen te stellen. Vele overlevenden dreven uren rond totdat ze door de Modji Maru uit het water werden gevist. De heer Kresmer dreef dertig uur in zee. Eerst werden de Japanners gered.

Japanse registratiekaart van Luitenant-ter-Zee 1e klas Theodoor Smits

Japanse registratiekaart van Luitenant-ter-Zee 1e klas Theodoor Smits

[In 1947 werd het Kruis van Verdienste verleend aan LtZ1 Theodoor Smits voor zijn ‘moedig en beleidvolle optreden’ op de 15e januari 1943.] 1947 182-1

 

Hellschips

Het zeetransport van de Nitimei Maru en de Modji Maru stond niet op zichzelf. Het Japanse imperium werd vanaf 1942 aan drie kanten belaagd door de geallieerden: in het oosten de Amerikanen, in het zuiden de Australiërs en in het westen de Britten. Het front in Birma was voor bevoorrading afhankelijk van de lange en gevaarlijke route via de Andamanse Zee en Straat Malakka. Daarom gaf het Keizerlijke Japanse Hoofdkwartier in juni 1942 het bevel tot de aanleg van een spoorweg tussen Nong Pladuk in Siam (Thailand) en Thanbyuzayat in Birma (Myanmar). Zo kon de kwetsbare zeeroute omzeild en de aanvoer van materiaal en mankracht bevorderd worden. Na augustus 1942 nam het overwicht van de geallieerden toe. Uiteindelijk besloot Japan de aanleg van de Birma-Siamspoorweg te versnellen. In deze zogenaamde ‘Speedo-periode’ werden daartoe extra krijgsgevangenen en dwangarbeiders (romusha’s) ingezet. Zij werden massaal met schepen naar de werkkampen overgebracht. Vanwege de slechte omstandigheden aan boord worden deze schepen ook wel helleschepen of hellships genoemd.

 

Zo vertrok op zondag 10 januari 1943 van Singapore het Japanse koopvaardijschip Nitimei Maru (ookwel Nichimei Maru). Dit was het voormalige vrachtschip Alfred Nobel, gebouwd in 1912 in Engeland voor een Noorse rederij en in 1938 verkocht aan Nissan. Het schip woog 4700 bruto- registerton en had een lengte van 122 meter. De Nitimei Maru nam op 10 januari circa 965 Nederlandse krijgsgevangenen en ruim 1500 Japanse soldaten mee vanuit Singapore (de aantallen verschillen per bron). Ook werden vier stoomlokomotieven, rails en gereedschappen ingeladen.

Op woensdag 13 januari voegde zich in Penang (George Town) het transportschip Modji Maru van

5000 bruto-registerton met duizend Amerikaanse en Britse krijgsgevangenen erbij, alsmede de nettenlegger Shuko Maru en de onderzeebootjager nr. 8 (CH-7 klasse). Het konvooi vertrok met bestemming Moulmein. Het zou het laatste zeetransport van krijgsgevangenen naar Birma zijn.

 

Hachelijke momenten, de ondergang van de Nitimei maru.

Hachelijke momenten, de ondergang van de Nitimei maru.

15 januari 1943

De belangrijkste vijand van de scheepvaart, belangrijker dan kruisers en onderzeeboten, was de luchtmacht. Zeker de lange-afstandsbommenwerpers (level bombers) spoorden schepen van verre op en konden veel schade toebrengen. Toen op vrijdag 15 januari het konvooi de Golf van Martaban instoomde werd het in die middag opgemerkt door een geallieerde patrouille. Zes Amerikaanse B-24 ‘Liberator’ bommenwerpers van het 10de Bombardement Wing USAAF, opererend vanuit India, vielen de schepen aan. De Nitimei Maru zonk, de Modji Maru werd zwaar beschadigd.

 

Afwikkeling

Ondanks een lek kon de Modji Maru doorvaren en drenkelingen oppikken. Het bereikte op zaterdag 16 januari de haven van Moulmein. Bij telling van de opvarenden bleken 32 tot 37 (het aantal verschilt per bron) van de circa 965 Nederlanders te zijn omgekomen en ongeveer honderd Japanners.

Na het aanmeren in Moulmein gingen eerst de Japanners van boord. Op zondag 17 januari debarkeerden de krijgsgevangenen. Zij werden enkele dagen zonder verzorging opgesloten in de gevangenis. Van daaruit werden de krijgsgevangenen in verschillende transporten per trein vervoerd naar Thanbyuzayat, het beginpunt van de spoorweg in Birma. Het is niet zeker dat al deze krijgsgevangenen eerst naar dit basiskamp werden overgebracht; sommigen berichtten dat zij rechtstreeks van de gevangenis in Moulmein naar Kamp 18 (Hlaplauk) werden overgebracht.

 

 

 

Tekst Katja Payens

Assistent-conservator, museum Bronbeek

Bronnen:

Heijmans-van Bruggen, Mariska, De Japanse bezetting in dagboeken. De Birma-Siam spoorlijn (Amsterdam 2001).

Kan, Wim, Burma dagboek 1942-1945 (Amsterdam 1986).

Leffelaar, H.L. en E. van Witsen, Werkers aan de Burmaspoorweg (Franeker 1982).

‘Naar de hel gaan’ uit Alle Hens, augustus 1950.

Witsen, E. van, Krijgsgevangene in de Pacific-oorlog (1941-1945) (Franeker 1971).

www.japansekrijgsgevangenkampen.nl

www.powresearch.jp

www.pwencycl.kgbudge.com

www.veteranen-online.nl

www.wikipedia.org

www.wrecksite.eu

 

Links:

– In het NOS-journaal van zondag 15 augustus 2010 geeft voormalig krijgsgevangene Sip Fokkens zijn ooggetuigenverslag aan Pauline Broekema. Zie: nos.nl/artikel/178557-er-stierven-dagelijks-mensen.html

– Op www.hetverhaalbewaard.nl staat een artikel van 8 november 2010, geschreven door Mike Deutekom (onbekend in welke krant) over de ervaring van Sijtje Jeekel, die op 15 januari 1943 als krijgsgevangene aan boord was van de Nitimei Maru.